La débandade Française

Geen mens die tegenwoordig nog weet wat er in deze titel staat. Iets met Frans inderdaad. En ik mag eigenlijk niks zeggen, want al was ik op de middelbare school een kei in Frans, ik kan geen poot Frans meer spreken of schrijven. Komt natuurlijk omdat je het niet onderhoudt, en je onderhoudt het niet meer omdat het uit je omgeving verdwijnt. In imagesCAEKEJ0IEuropese politiek, in de wetenschap, in de wereld van populaire cultuur* is de Franse taal in rap tempo aan het verdwijnen. Een soort ordeloze aftocht van het Frans (zoiets betekent die titel – letterlijk: de ordeloze Franse aftocht). Dat vind ik op zich jammer, zeker ook vanwege die zes jaar moeite die ik er in stak. Het is een verarming. Soort van dan toch. Aan de andere kant is het ook de schuld van Frankrijk zelf dat niet meer dat  vanzelfsprekende gidsland is, dat ik kende in mijn jeugd. Dat hebben de Fransen grotendeels zelf over zichzelf afgeroepen. Door een fatale mix van plank-voor-de-kop-nationalisme, economisch autisme, en conservatieve gemakzucht, hangen de Franse economie, cultuur en taal nu in de touwen. Frankrijk weet niet beter te reageren op een snel veranderende wereld dan met taalwetten, protectiemaatregelen (om de concurrentie voor wijn, kaas en andere streekproducten te weren), en verkapte staatssteun en subsidies om verouderde industrie en sectoren, die al jaren geen kans imafrancegesmeer maken op de wereldmarkt, te stutten. En vooral door die stille obstructie van de financiële begrotingsafspraken in Europa (en zo valse hoop te wekken bij landen als Griekenland). Het zijn achterhoedegevechten. Geen land is in de recente geschiedenis zo snel zijn leidende positie kwijtgeraakt en geen land heeft in de recente geschiedenis zo slecht geluisterd naar treffende analyses van de Franse situatie noch naar de goede, dringende adviezen om te hervormen. Frankrijk begrijpt het niet, Frankrijk luistert niet. Misschien verstaat Frankrijk de boodschap inmiddels niet meer.

Bewijs:

* 1976: het francofiele jaar De populariteit van Frankrijk en het Frans bereikte in 1976 een na-orloogs[1] hoogtepunt. De minister-president, den Uyl, reed in een Citroën. En hij niet alleen. Een groot deel van de bevolking reed rond in uiterst hippe Franse auto’s (en dat ze snel roestten deerde niemand). We aten in bistrootjes,[2] kaanden stokbrood met Paturain en dronken rode wijn (meestal Caveau[3]) uit lompe flessen. We luchtten naar Franse parfum. Nederland trok in die zomer massaal naar Franse campings en nooit eerder in de na-oorlogse geschiedenis stonden zoveel Franse liedjes in de Nederlandse top 40. Elf maar liefst in 1976. Dat is meer dan 10% van alle Franse nummers die de afgelopen zestig jaar in de Top-40 stonden. 10% van dat totaal in één jaar (8,4% meer dan bij een gelijkmatige verdeling over de jaren het geval zou zijn geweest).

Was op 14 juli 1976[4] het Franse leger bij de Maas Nederland binnengemarcheerd dan zou niemand in Nederland, denk ik, ze hebben tegen gehouden.

Artiest Nummer hoogste notering top 40
Gerard Lenorman Ballade des gens heureux 2
Julien Clerc Venise 14
Kate & Anna McCarrigle Complainte pour Ste Catherine 17
Shake Tu sais je t’aime [5]
Michel Fugain Une belle histoire 21
Dalida J’attendrai 8
Catherine Ferry 1 2 3 5
Julien Clerc This melody 1
Eve Brenner Le matin sur la rivière 8
Manhattan Transfer Chanson d’amour[6] 5
Dave Du Côté De Chez Swann 9

imagesCAW10PZP En er kwamen ook nog eens drie nummers in de tipparade terecht (‘Quand un amour’ van Richard Cocciante, ‘Mes emmerdes’ van Charles Aznavour en ‘Avant de nous dire adieu’, Jeane Manson). Wat een jaar was dat! Met Joop Zoetemelk die tweede werd in de Tour de France (Nederlandse ritoverwinningen en de definitieve doorbraak van het Nederlandse wielrennen). En die een heerlijke, Frans aandoende zomer met een paar hittegolven.

Noten met triviale weetjes

[1] We vieren 200 jaar Koninkrijk, maar in het Nederland van 1814-1815 was Frans de omgangstaal en waren Franse mode en cultuur bepalend. Tot juni 1830 bijvoorbeeld was het gebruik Frans te spreken in de Staten-Generaal. Een groot deel van de Handelingen is in het Frans.

[2] Lees voor het ontwikkelen van de eetcultuur in de jaren zeventig ook: http://www.wimvoermans.nl/pdf%20documenten/De%20Bistrot.pdf

[3] Caveau werd niet gebotteld in Frankrijk maar in Tilburg. Degenen die het advies dat op de parafinekurk ‘visitez nos caves’ zou hebben opgevolgd was waarschijnlijk uitgekomen bij een paar aftandse loodsen op een industrieterrein in Tilburg-Noord.

[4] Het was een zwaarbewolkte dag met een paar spatten regen – ca. 19-20 graden C.

[5] Wel kort in top 40 1976 – terug in 1978 – toen plaats 19. [6] Niet helemaal Frans….

Posted in Algemeen, Persoonlijk | Tagged , , , , , , , , , , , , , , , | Leave a comment

Rocky Butz

Waaiweer, alleen met mijn gedachten. Op zulke momenten komt hij wel eens langs drijven: Rocky Butz. Kijk, alle mensen zijn dan misschien verschillend, maar er zijn er maar een paar echt anders. Bertus van Helvoirt, bijvoorbeeld. Wie? Precies: Rocky Butz.

Voor hij bij ons in huis kwam had hij even vastgezeten, tenminste, dat zei die zelf. In Vlissingen. Omdat hij een agent met een motorketting had geslagen toen die de motor waaraan Rocky op de stoeprand zat te sleutelen aan de kant wilde zetten. Onrechtvaardig, en daar kon hij niet tegen. Hoe lang dat nou weer precies geleden was wist hij zelf ook niet. En of hij nou daarvoor, of juist daarna in opvangtehuizen had gezeten. De ene keer wel, de andere keer weer niet. Tijd, gebeurtenissen en plaatsen, dat liep altijd door elkaar bij hem. Van een verhaal twintig versies, eenzelfde gebeurtenis op verschillende tijden, verleden en heden in en door elkaar. Zo was Bertus nou eenmaal.

untitelvisledOktober 1980, of daaromtrent, kwam hij bij ons in huis. In het achterhuis op de begane grond. Doordat we met 22 in dat huis woonden en er geen ordentelijk selectiesysteem was, was hij er zo maar ineens. In de duistere met marmer behangen gangen van de voormalige slagerij – nu studentenwoonkazerne, zij het nagenoeg zonder echte studenten – slenterde hij rond. Zelfs in deze grote, onoverzichtelijke bijenkamerkorf vol met de meest bizar uitgedoste punkers en mods sprong hij er uit. Bijna twee meter lang, blonde lange kuif en een Catwezelachtige vlassige puntbaard en strosnor. Tanig, met hele lange ledematen. Achttien jaar denk ik. Net zo oud als wij. Maar al was hij nog maar een week in huis, hij gedroeg zich alsof hij er al jaren woonde. Dat was zijn stieltje: stellige vaderlijkheid. De man die alles al had gezien en de wereld kende. Het overtuigde geen mens, maar het was prettig om naar zijn onsamenhangende levenswijsheden te luisteren.

Hans had meer aarzelingen dan ik denk ik. En Suus werd helemaal gek van deze onverwachte ‘but-hippie’ die ze ‘een bout vond’. ‘Straks zit het hier helemaal vol met die kutkabouters,’ vloekte ze. ‘Hij moet er uit.’ Zij had net de nieuwste plaat van Pil opstaan en toen had daarop die nieuwe beneden een plaat van Elvis opgezet, zodat zij niks meer horen kon. Ze trok aan haar kapotte rode nylons die maar nooit goed onder haar zwarte leren rok bleven zitten. Te groot gekocht, die tweedehandsnylons.

‘Scooter zegt dat ze die Butz in de Fabriekstraat wel kennen,’ vervolgde Suus opgewonden. ‘Een koekwous, zo uit de bak, jat al je spullen hoor….en hij betaalt ook geen huur!’ Dat laatste verontrustte Hans nog het meest, want we waren net aan het proberen de huurbaas zover te krijgen dat hij wat aan de riolering zou doen. Nu stroomde de drek van de plee op de eerste verdieping direct op de binnenplaats. Niet te doen. De verhuurder wilde daar – na lang soebatten – wel wat aan laten doen op voorwaarde dat de huur op tijd untigasrtledovergemaakt zou worden.

‘We moeten eens met Rocky gaan praten,’ vond Hans.’ En met dat ‘we’ was ik dan ook neens onderdeel van de partij.

Al woonde hij er al weken, toch waren Hans en ik geloof ik de eersten van het hele huis die op zijn kamer kwamen. Hij was net wakker, Bertus. Met een ruk trok hij de deur open. Vriendelijke, een beetje verwarde ogen. ‘Kom binnen…Thee?’ Het was er binnen erg donker. De gordijnen waren dicht en er brandden alleen kaarsen en waxinelichtjes. Een beklemmende sfeer. ‘Silence of the Lambs’ gezien? Nou, zoiets. Penetrante cannabislucht en vette kaarswalm (honingwaskaarsen rook ik) vochten om voorrang. Toen onze ogen eenmaal aan het duister waren gewend (het was midden op de dag) – ja doe maar thee – zagen we pas al die beelden. Hoe had hij die allemaal naar binnengekregen? Waar je ook keek in de kamer van drie bij vier meter, de hele ruimte stond vol met Mariabeelden, een paar crucifixen en twee glimmende bustes van Elvis Presley.

Rocky zette ‘Are you lonesome tonight’ op.

‘Eeh..Bertus,’ begon Hans, ‘Je heet toch Bertus niet…?

‘Ze noemen me Rocky,’ zei Bertus, ‘Rocky Butz, maar je mag me noemen zoals je wil.’

‘Ja, uh Rocky. Eh, ja, wij waren benieuwd…Benieuwd te weten…’

‘Hoe het je bevalt?’ vulde ik snel aan, om niet al direct aan het mogelijk minder aangename gedeelte van het gesprek toe te komen.

uwelvisntitled‘Goed,’ zei Bertus…’Beetje krap eigenlijk. Komt er niet een grotere kamer vrij binnenkort?’

‘Nou ja, niet dat ik zo direct weet…,’ zei Hans een beetje overrompeld, ‘Uhh, maar mag ik eens vragen, hoe ben je eigenlijk aan deze kamer gekomen?’

‘Die stond leeg,’ zei Bertus terwijl hij een shaggie opstak, ‘dus ik dacht…’

‘Wie heeft jou gezegd dat die leeg stond?’ probeerde Hans.

‘Niemand,’ zei Rocky, (..) ‘O wacht nou komt het mooiste stuk. Hij zetten de versterker op vol en Presley scheurde met vervormde lange halen door de boxen (toegegeven, zelfs dan blijft de stem van de King in tact).

Hans ergerde zich.

‘Max,’ zei Rocky. ‘Die was ik in de Spoel en toen zijn we hier doorgezakt. En toen zag ik dat die kamer beneden leeg was.’

‘Max?? Maar die woont hier helemaal niet, die zit toch in dat kraakpand in de Tuinstraat?’

‘Ja,’ zei Rocky, ‘hoezo? Daar zat ik eerst ook, maar daar was geen plaats meer. Die kamer was veel te klein voor me en ik kon daar geen grotere krijgen…’

‘Ja, maar…’

‘Wat nou, ja maar…?’

‘Ja maar, dit is geen kraakpand….’

‘Ja maar, deze kamer nu wel…’

De macht van feiten, een kraakkamer in een huurpand. Als je er over nadacht zat er wel een soort logica in. Hans probeerde nog. Dat we moesten betalen omdat we anders met zijn allen konden fluiten naar de opknapbeurt van de riolering. Rocky zag het juist andersom. Misschien konden we allemaal stoppen met de huur totdat die riolering was gemaakt. Ook daar zat iets in natuurlijk. Hij had koekjes. Begon te vertellen over de King, die de grootste en de beste was. En dat hij vroeger zo gewelddadig was geweest, en in krakersrellen altijd tot de vaste kern van de knokploeg had behoord, maar dat dat nu allemaal, dankzij zijn diepere begrip van de boodschap van Presley, voorgoed tot het verleden behoorde. Een ander leven. Het was niet wat hij zei – want dat was eigenlijk maar moeilijk te volgen – maar wel hoe die het zei wat toch indruk op me maakte. Onsamenhangend, maar op een overtuigende manier.

Hans was minder ingenomen.

De tijd ging voort zoals die doet.

In januari 1981 woonde Rocky al weer bijna een kwart jaar bij ons. Hij was er niet veel, maar als hij er was, was hij zeer aanwezig. Op de een of andere wonderlijke manier kon hij prima overweg met ons bonte gezelschap puberpunkers en Deutsche Welle-specialisten die hij onophoudelijk probeerde te overtuigen van de superioriteit van Elvis Presley’s werk. Een maand of wat geleden had Rocky zich binnen de Presleykerk gevoegd in de rangen van de fans die niet langer geloofden dat The King dood was. Waar hij eerst nog vol had gehouden dat Elvis was vermoord in opdracht van het grootkapitaal, wist hij nu als feit te melden dat Elvis teruggetrokken leefde in Nevada. Binnenkort zou hij op messiaanse wijze weer opstaan. Enfin, huur betaalde hij – waarschijnlijk in afwachting van de jongste dag en wederopstanding van Elvis – nog steeds niet. Het was een raadsel wat hij met zijn uitkering deed van 1000 gulden per maand (verhoogd vanwege een vast adres nu). Zichtbaar was maar één kostenpost. De groeiende verzameling tatoeages aan de binnenkanten van zijn onderarmen. Links een levensgrote kleurige beeltenis van Elvis Presley, rechts een van de maagd Maria in devote aanbidding. Keer op keer herinnerde Hans hem aan zijn huurverplichting, want Rocky’s weigering te betalen raakte ons allemaal.

‘Je bent niet alleen op de wereld. We wonen hier samen in dit huis…’

Dat raakte een gevoelige snaar. Na een lange vergadersessie van de meeste bewoners van het huis, ging Rocky ergens eind januari 1981 door de knieën. Maar hij niet alleen. Het afgelopen jaar was onze woonkazerne aan de Gasthuisring sterk vervuild. Overal zooi, winkelwagentjes, lege flessen en vuilnis. Daarbij kwam nog dat het hele pand vol hing met de resten van een paar pallets gekleurd toiletpapier. Overal hingen in treurige guirlandes, lange slierten (binnen en buiten) pastelkleurig pleepapier dat was blijven hangen nadat we Albert hadden uitgezwaaid omdat hij zijn eerste jaar Kunstacademie, voor de tweede keer, niet zou halen. Dat wisten ze al in december. Het was een ongelooflijke smerige bende, het leek wel een vuilnisbelt. We moesten wat doen, we zouden wat doen en Bertus deed, tot ieders verrassing, mee. Twee dagen lang sjouwden we met afval en onbruikbaar spul totdat we genoeg ruimte hadden om de zaak eens te dweilen en alles tot aan de lambrisering onder te spuiten met dikke bleek. Het leek te helpen. Het vage pleegeurtje verdween en op de vleugels van dat succes werden er direct ferme afspraken gemaakt. Over het bijhouden van de wc’s, over het opruimen van de gangen en gezamenlijk eten. Dat zou de samenhang in het huis ten goede komen. Iedereen was er voor. Ook Rocky stemde in en – om zijn goede bedoelingen te demonstreren (hij stond plechtig op van tafel en reikte er vervolgens onder) presenteerde hij: ‘Hier…een spiksplinternieuwe t.v.’

We waren allemaal geroerd door het gebaar, al keek Suus even veelbetekenend naar Erik, die wat met zijn ogen rolde. Zal allemaal wel, maar Rocky liet toch maar zien dat hij in wezen gast was met een gouden hart.

Op 23 februari 1981 was het rotweer. Schielijk had ik mijn moeder al ’s morgens gebeld op die ene vaste telefoon midden in het huis. Om haar te feliciteren met haar verjaardag. Zachtjes pratend omdat ik niet wilde dat iedereen ons innige, zware Westbrabantse dialect zou horen. De deuren zwaaiden open en dicht en de huisbewoners druppelden als natte honden binnen. Met fiets en al aan de hand, waardoor de witte marmervloer die we zo geschrobd hadden weer als vanouds zwartgrijs van het vuil, slijk en de meuk kleurde. Hans, inmiddels een soort huisoudste tegen wil en dank geworden, wilde er wel iets van zeggen, maar liet het er bij zitten nadat hij de drie tot vier dubbele sporen zag. Voor een andere keer.

Om vijf uur schoven we aan tafel. Het was Rocky’s beurt om te koken en we waren benieuwd, want al die keren dat hij tot nu toe zelf zijn benen onder tafel had geschoven had hij afgegeven op de onverantwoordelijke manier waarop er werd gekookt. Of wij wel wisten wat de varkens die wij in onze Chili con carne hadden vermalen door hadden moeten maken? Dat uien eigenlijk levensgevaarlijke, kleine chemische bommen waren. Maar verantwoord eten was gewoon te duur in die tijd, als je er al zin in had. Door het regenachtige weer liet de lijst veel inschrijvers zien voor het avondmaal, maar toen we om half zes de keuken binnenliepen kwamen, werden we niet begroet door etensgeuren uit de achterliggende bijkeuken. Het stonk er naar bleekmiddel, nog steeds.

‘Hè net vandaag….dat ie er dan niet is.’ Suus, Erik, Tom en Ruudje van het achterhuis gromden. ‘Zullen we maar iets gaan halen?’

Ook Hans was nu binnen. ‘Ja, dit kan echt niet…!’ foeterde hij. ‘We moeten het toch eens over Rocky hebben. Dat kan zo niet doorgaan. Geen huur betalen, je afspraken niet nakomen. Herrie midden in de nacht.’

Ruudje, die het niet zo interesseerde zette de t.v., Rocky’s t.v., aan.

‘Ik denk dat we hem de wacht aan moeten zeggen.’ Suus en Erik keken elkaar fronsend aan. ‘Ik zie geen andere mogelijkheid,’ zette Hans zijn requisitoir kracht bij, ‘want hij moet wel een verdomd goeie reden hebben om ons zo te laten stikken met het eten.’

En toen ineens maakte Ruudje voor de t.v. stotende geluiden. Op de televisie was in zwart wit te zien hoe de ME met een politietank over een brandende krakersbarricade heenreed. Die barricade was opgericht door krakers in Nijmegen die zich heftig verzetten tegen de afbraak van woningen om plaats te maken voor een parkeergarage (de Piersonrellen). Er hingen slierten traangas en de opstandelingen vluchten weg voor de meppende ME-ers.

‘Een verdomd goede reden,’ vervolgde Hans, die niet meekeek.

‘Maar dat heeft ie!’, gilde Ruudje enthousiast.

En samen keken we naar dat onvergetelijke beeld waarop een eenzame, alleen achtergebleven tanige, gemaskerde kraker met een lange lat als een bezetene op de flanken van de politietank inhakt. Ja, we zagen het aan de onmiskenbare, kleurrijke Elvis-tatoeages op zijn binnenarmen, dat was niemand minder dan de onvergetelijke Rocky Butz.

imhsghwrgnanages untjsgmnwannaitled piersongarage 1untitled

Posted in Algemeen, Persoonlijk | Tagged , , , , , , , , , , , | Leave a comment

Verscheurde stad

Jeruzalem, nog in het oude jaar op 11 december 2014. De straat waar ik logeer heet Givat Ram, heb ik ergens opgeschreven. Maar dat ga ik natuurlijk weer vergeten. Zoals ik altijd vergeet een kaart te schrijven of foto’s te nemen (of zelfs te filmen) als ik ergens ver weg op bezoek ben. Voor een herinnering hoef je trouwens zelf niet meer te filmen of te fotograferen. Anderen maken veel betere films en foto’s, die ze ook nog delen. Beter kun je je tijd gebruiken om alles goed waar te nemen, om herinneringen te maken. Dat helpt beter dan een portret of selfie; dat soort kinderachtige markeringen, waarmee je via een gefotografeerde geurvlag probeert de plaats waar je was tot de jouwe te maken. Onzin. Kijken, je moet gewoon goed kijken en de plaatsen en indrukken op je in laten werken. Later kan je er heel makkelijk de foto’s en films bij zoeken. Als je tenminste nog weet waar je zat natuurlijk…

Nissim is van 1954, samen met zijn vriend Menashe staat hij elke dag te posten bij het hotel. Vriendelijke, gezellige vroegbejaarden met verweerde koppen. Elke keer als ik naar buiten kom, stappen ze op me af en geven me een hand. Dat heeft te maken met dat ritje van gisteren. Omdat ik Jeruzalem helemaal niet ken, vroeg ik de receptie naar een aardig, eenvoudig restaurant. De gezette receptionist zette een straat en huisnummer op een papiertje. Dat gaf ik vervolgens direct aan de taxichauffeur net buiten het hotel. Nissim naar later bleek. Die zuchtte een beetje, maar reed me toen geduldig en netjes de hele 475 meter verder naar dat restaurant. Ik betaalde daarvoor (later omgerekend) 87 eurocent precies, inclusief tip. Dat vond zelfs ik wat te Nederlands. Toen ik – eenmaal teruggelopen – Nissim weer aantrof bij het hotel vroeg ik hem in een opwelling:

‘Can you bring me back to the airport on Saturday Night?’

‘Airport – yes…’ had hij vriendelijk lachend gezegd. Helemaal naar Tel Aviv was natuurlijk een mooi ritje. Hij had de deur al open gehouden. ‘No, no…Saturday Night, at one’.

Tevreden dat ik zonder dat het me verder iets zou kosten de zaak over dat veel te korte ritje goed had opgelost (die te declareren taxi terug moest ik toch nemen), ging ik vervolgens naar binnen, naar boven, waar ik mijn spulletjes voor de andere dag nakeek. naamlbndafghartjnargnanaoosHet wordt donderdag.

Ook elke keer als ik nu het hotel uitkom, lopen Nissim en Menashe op me af. Wel een keer of vier in totaal. Een hand, een praatje. In het begin ben ik wat overdonderd door zoveel vriendelijkheid. Het zijn twee hele aardige opa’s met hondstrouwe ogen, die je onmiddellijk voor zich innemen. ‘Harrhh..business is bad.’ klagen ze. ‘Turmoil,’ zegt Menashe die, dat heb ik nu pas door, eigenlijk een beetje de rol speelt van tolk voor Nissim, wiens Engels slecht is. Hij gooit zijn hoofd in de richting van de oude stad. ‘De toeristen zijn bang geworden…’

‘Zaterdagavond, ha?’ vraagt Nissim nog een keer. ‘Hoe laat?’

‘Een uur in de ochtend…’

Hij kijkt Menashe aan. ‘Een uur…zondagmorgen toch?’

Menashe vertaalt in het Hebreeuws. ‘Nee na vrijdagavond, zaterdag vroeg in de ochtend.’

‘Oi,oi, no, dat kan niet. Sabbath…’ zegt Nissim. De teleurstelling druipt van zijn gegroefde bruine gezicht.

‘Sorry …,’ zeg ik, terwijl ik uit probeer te rekenen wanneer die Sabbath dan precies begint en eindigt.

‘Dan laat ik je de stad zien’, zegt Nissim. ‘Beste plaatsen mijn vriend. Je moet mijn stad zien.’

‘Ok,’ zeg ik, uit een soort misplaatst schudgevoel, maar heb er al onmiddellijk spijt van. Ik ben niet zo’n toerist. Niks zo erg als een ‘guided tour’. Enfin, nou ja, toe maar, hem vertrouw ik.

‘Wanneer?’ ‘Vrijdag 10.30?’ (Kan ik rond een uur of twee terug zijn voor mijn skype-afspraak met de studenten, reken ik terug).

Vrijdagmorgen.

Nissim heeft pretogen. Hij heeft er kennelijk zin in. Ik stap in. ‘Lionsgate?’ vraag ik. Ik heb gehoord dat je je daar af moet laten zetten voor een bezoek aan de oude stad.

‘No, no park there…I take you to best places. Bethlehem, Mountain of Olives, Garden of Gethsemane, old town.’

Ik aarzel. ‘Prijs?’ (‘…’) Dat valt eigenlijk best mee. Vort dan maar. Ik gun het hem en hoe ga ik anders in een uur of twee ook maar iets zien? Ik ken de weg hier niet.

Zijn Skoda ruikt muf. Een rommelige vrijgezellenhuiskamer. Er zit een scheur in de voorruit en hij krijgt hem maar slecht gestart. Meer dan 300.000 km op de teller zie ik in de gauwigheid. Er bungelen geurkerstboompjes aan de spiegel, er slingeren overal bonnetjes, bekertjes en flesjes water. En zijn keppeltje.

We rijden. Eerst naar de Olijfberg, want Bethlehem is te ver weg en dan moeten we langs de bordercontrol. Dat duurt te lang.

De plekken waar we naar toe rijden zijn dan wel te verstaan in het soort Engels dat hij spreekt, maar niet de context. Hij kent al die plekken goed. Eerst rijden we naar de top van de Olijfberg. Daar kent hij een vriend. Nissim is geboren in Jeruzalem, overal heeft hij kennissen en vrienden. We moeten wel opschieten. Waarom weet ik niet.

Nissim’s vriend is een Palestijn, die een soevenirshop runt. Een grote. ‘Met hem heb ik op school gezeten,’ zegt Nissim, ‘maar dat gedeelte van Jeruzalem was toen nog van Jordanië.’ Ik word binnen geleid in de winkel van Marwan op de top van de berg – de gedachte is dat ik iets koop.

‘Goede spullen, echt antiek,’ prijst Marwan aan. ‘Nissim is een goede vriend,’ zegt hij als hij me mee naar achteren troont waar hij spul heeft uit opgravingen. ‘Maar zelfs voor goede vrienden zijn het moeilijke tijden.’ Hij laat me spullen zien uit de tijd van koning Herodes. ‘Van echte opgravingen, jazeker,’ beklemtoont hij. Met zijn getrainde koopmansinstinct ruikt hij het echter snel: aan mij gaat hij niets verkopen.  ‘Ja douane zou lastig kunnen worden. Maar ik kan het toe laten sturen.’

Het verrast me dat hij me zo snel laat schieten. Hij legt zijn hand op mijn schouder. ‘Het leven wordt al maar moeilijker hier.’ Nissim die er bij is komen staan, knikt.

‘Het conflict?’, pobeer ik.

‘Ja dat ook, maar daar praten we nooit over,’ zegt Marwan. ‘Oude vrienden kijken niet naar elkaars vrouwen en praten niet over politiek…’

‘Nee dat is niet het enige probleem. Ik zal het je laten zien,’  zegt Nissim.

We geven Marwan een hand en steken de weg over naar de parkeerplaats waar hij de taxi heeft geparkeerd. Het duurt minuten voor de diesel aanslaat. Hij rijdt me naar de top van de Olijfberg, Vanachter de ruit gebaart hij naar de politieauto’s en bussen die zich overal verzamelen.

‘Laten we snel zijn dan kunnen we nog rustig even kijken.’ Er wordt nu al opgeroepen tot het vrijdagmiddaggebed. Daarna..,rellen.  Een hele politiemacht trekt samen met pantserwagens en waterkannonnen. Hun pantser nog besmeurd met verf van vorige incidenten.

‘Elke vrijdag opnieuw, jonge gastjes die het verpesten voor de rest,’ volgens Nissim. ‘Ja en dat van die muur die nu wordt gebouwd. Niet goed,’  zegt hij. ‘Maar ja wat wil je…’ Ik snap niet goed wat hij bedoelt.

Na een steile klim zijn we er. Het uitzicht op de oude stad is adembenemend vanaf de top van de Olijfberg. Nissim wijst met zijn vinger de route die we af zullen leggen. ‘Zo en zo gaan we rijden, daar langs die Dominus Flevitkerk en dan naar de tuin van Gethsemane, dan naar de Zionpoort.’

‘Maar wat was nou het probleem dat je me wilde laten zien?’

‘Americans,’ zegt Nissim. ‘Kijk maar…’ Ik kijk naar de stad en zie niks. Nissim is Joods. Hoe kunnen de Amerikanen nu een probleem zijn? De VS zijn al decennialang de onwankelbare beschermheer van Israël.

‘No,’ zegt Nissim. ‘Je kijkt verkeerd.’ ‘Look down’. mountofolivesamloosBeneden is op de flanken van de Olijfberg een enorme begraafplaats vol platte witte manshoge stenen die zich uitstrekken tot zover het oog reikt. De hele vlakte tegenover de stad is bezaaid met graven. ‘Dat is een probleem,’ zegt Nissim. ‘De Amerikanen kopen alle grond op deze begraafplaats en ze kopen de appartementen in het Joodse kwartier van Jeruzalem. Alles in onze stad is daardoor onbetaalbaar geworden. Mijn kinderen kunnen geen huis meer kopen in de stad, ik kan me geen graf veroorloven op deze heilige berg. Is dit het loon voor alles wat wij hebben meegemaakt? Wij woonden net bij de Leeuwenpoort die er met een kanon werd uitgeblazen. Ons hele huis was kapot in1967. Is dat wat ons rest? Dat je niet meer in je eigen stad kan wonen, er zelf een toerist in wordt? Oi, niet goed, niet goed.’

We rijden door, de Olijfberg af, zwijgend nu even. Hij brengt me langs de kerk waar Jezus gehuild zou hebben over het lot van de stad, die hij ook toen al vanaf die Olijfberg zo mooi panoramisch kon zien liggen. De berg zwermt met religieuze toeristen, die hun biddende vuisten wit knijpen. Dertig katholieke nonnen uit Angola, een groep protestanten met een gids uit Zuid-Korea (die angstvallig de nonnen uit Angola proberen te mijden). Ze loeren wantrouwig naar elkaar. Geen mens die lacht. Bij de tuin van Gethsemane hebben een aantal Russisch-orthodoxen het aan de stok met een groep die zo te zien uit India komt. De Russische priester zingt in de hoek van de tuin met een prachtige Iwan-Rebrov-bassstem voor en de plat op de grond gelegen gelovigen antwoorden hem met hoge sopranenstemmen. Maar ze willen dat iedereen stil is, en dat kan helemaal niet hier in deze drukbezochte tuin waar mensen in grote groepen zij-aan-zij schuifelen.gohistoric_18127_m We rijden verder, naar de Zion-poort en kijken er naar het graf van David. Orthodoxe Joden  bidden en zingen daar fanatiek wiegend met hun lijven. Hun pijpenkrullen zwieren onder de grote zwartvilten hoeden. Verder gaat het dan naar de heilige Grafkerk en de Via Dolorosa. Eerst door de Armeense wijk. ‘No good’ volgens Nissim. ‘Hier niets kopen. Slechte mensen’. (Hoe die daar nu ineens bij komt?) Overal waar we komen strakke en vaak geïrriteerde blikken van mensen die deze stad voor zichzelf en hun geloofsbelijdenis opeisen.  Ze slalommen tussen de handelaren door, gaan plat liggen op de wassteen in de Grafkerk. Ze bekruisen zich, raken alles aan, kussen stenen, besprenkelen zich met iedere druppel vocht die ze aantreffen en sukkelen dan weer voort in een door geloofsdrift ontmenste karavaan van intolerantie, van totale en exclusieve aanspraken op de heiligheid van deze stad.

‘Nu moeten we weg….’ Zegt Nissim.

‘Wordt het te gevaarlijk?’ vraag ik. ‘Nee,’ zegt Nissim, ‘maar je wilde toch om half twee terug zijn?’

Bij het afscheid lacht hij nog eens minzaam. ‘Je bent een goede vriend,’ zegt hij. ‘You understand.’ En dan zet hij me af – voor ongeveer 30 euro meer dan het afgesproken bedrag.

Posted in Algemeen, Persoonlijk | Tagged , , , , , , , , , , , , , , , | Leave a comment

Nèt niet

Einmal ist keinmal en nèt niet is helemaal niet. Maar niet iedereen ziet dat zo. Troost putten uit ‘net-aan’ (een vorm van ‘nèt niet’ waarmee je je toch nog wat van het gedroomde toe-eigent) is vooral in Nederland tot kunst verheven. Nèt geen wereldkampioen voetbal in Brazilië, maar, geen enkele wedstrijd verloren. En ook nog eens boven verwachting gespeeld. Net als het onvoltooide is het ‘nèt niet’ soms nog mooier dan de overwinning of het bereiken van het doel zelf. Die verloren voetbalfinales in 1974, 1978 en 2010: prachtig toch? We zaten er zo fijn bijna tegenaan. Zoals Hennie Kuiper ook in 1977 bijna tourwinnaar was. En Henk Grol bijna judokampioen, als er nou nèt niet…of Hilbert van der Duim, had er nèt niet een beetje vogelpoep… Nederland is een land waarin de tragiek en heroïek van het verliezen tot breed beoefende verhaalkunst is geworden. Waarschijnlijk onder invloed van Mart Smeets zijn we in Nederland best goed in sport, maar nog veel beter (wereldkampioen?) in kletsverhalen over sportleed en gemiste kansen.

Het is woensdagavond 21 juni 1978 – nu al weer zo ontzettend lang geleden. Een uur of half acht, schat ik. Nederland voetbalt op dit moment een wereldkampioenschap wedstrijd tegen Italië in Argentinië. Die wordt live op t.v. uitgezonden. Ik krijg daar niet veel van naamloowkargentienismee, want ik sta in een glimmende groene korte broek en een wit-groen singlet van atletiekvereniging DJA met een aantal andere pubers (B-junioren) achter de streep. Strepen, in dit geval op de verschillende banen, daar waar de start van de 800 meter is, op die nagelnieuwe tartanbaan van atletiekclub Thor in Roosendaal. Het is een van de eerste roodrubberen atletiekbanen in Nederland aangelegd op het Redband-sportpark. Een sensatie. Van heinde en ver komen atleten uit heel Nederland naar deze baan om er supertijden te lopen en persoonlijke records neer te zetten. Alles gaat sneller dan op de rode en zwarte sintelbanen waarop we anders met onze spikes moeten ploegen. Ja die spikes die baren me wel wat zorgen. Ze zijn veel te groot heb ik het idee. Ingesteld op het gebruik op de sintelbaan. En mijn knieeën. Het is ook niet goed met mijn knieën want ik heb de hele middag aardbeien zitten plukken. O, ja en ook mijn maag voelt maar zo, zo….houd ik mezelf allemaal voor om de teleurstelling van de hoge opkomst (er lopen zeker zo’n zestien jongens mee) een beetje voor te blijven. ‘Er is toch voetbal?’ Het zijn allemaal smoesjes op deze zwoele zomeravond met een heerlijke bries. In werkelijkheid voel ik me beresterk: zestien jaar oud en 62 kg – heb ik daarstraks nagewogen. In bloedvorm. Ik trainde de hele winter en rende veel korte crossen. Elke trainingsinspanning vertaalt zich in een spectaculair eindresultaat op die leeftijd. Prestaties schieten met reuzensprongen vooruit. Mijn benen voelen aan als straalmotoren. Op mijn club zien ze grote mogelijkheden voor me – ik liep al een keer een geweldige 800 meter, zo maar uit het niets. Vandaag voel ik me nog veel beter. Als het vandaag iets wordt, ga ik me nog meer op atletiek toeleggen. Je school kan je altijd nog later afmaken – zeker in 1978, zeker ik. Alberto Juantorena achterna, Sebastian Coe. naamljuantorenaoos Waarom niet? Er was wat nerveus gemurmel daarstraks bij het inlopen. Dat er scouts van de KNAU (de atletiekunie) rondlopen. Speciaal voor de 800 meter wedstrijd. Dat zou kunnen betekenen dat je geselecteerd wordt en op Papendal mag komen trainen.

Dribbel, dribbel, dribbel. Bij de 1500 meter-start staat iedereen altijd rustig naast elkaar, maar op de een of andere manier wordt er altijd geduwd bij de banen-start van de 800 meter. De starter heft zijn pistool en…kruitdamp: we zijn weg. Het gaat vanzelf en het gaat idioot hard. Wat loopt die tartan heerlijk. Bij elke stap word je gelanceerd, zo lijkt het. Ik nestel me in het voorste groepje van vier lopers. Na 300 meter zijn we los van de rest, zie ik bij het uitkomen van de bocht. En het gaat nog steeds vanzelf…Doorkomst 400 meter in 59 seconden! Frank de Hoon van DJA, die met me is meegekomen, gilt zich hees. Rustig!! Maar ik wil niet rustig. Een knul van Sprint Breda zet nog wat aan. Nu wordt het zwaarder. Ik laat hem gaan tot 30 meter voor het naamloos500-meter punt. Een jongen van Rotterdam atletiek zet de achtervolging in, maar komt niet ver. Het gat wordt niet groter dan een meter of vijf. Eerst nu  merk ik de lange slungel op die net achter me loopt. Een vent met een lange hangende onderkaak. Hij schuift naast me na 500 meter en lacht. Tussen de 500 en 600 meter moet ik mijn snelle start bekopen. Alles verzuurt, schuurt, ik krijg geen adem meer, mijn benen voelen als beton. De 800-meter kampioen Johnny Gray noemde de 800 meter niet voor niets de meest wrede en afschuwelijke van alle afstanden. ‘Vergelijk het,’ zei hij, ‘met een zwemwedstrijd waarbij je 400 meter op de top van je kunnen hebt gezwommen – zo hard als je kon – waarna iemand je dan de laatste 50 meter met je hoofd onder water duwt en dwingt voort te zwemmen.’ 800 meter is afschuwelijk. Atleten vallen nogal eens flauw na de finish, kunnen vaak niet meer op benen staan.

Bij mij lijkt er nog een reservekraantje open te kunnen, maar dan wel een heel klein roestig kraantje. We halen de Rotterdammer en die vent van Sprint rond vijftig meter voor 600-meter punt bij. Ik duizel, ik stik, ik ga zowat dood. Kom op!, schreeuw ik mezelf toe, kom op!! (al werkt er dan niks meer). Papendal! We lopen nu, net bijna bij het 600 meter punt, met zijn vieren voorop. Dan komt de lange slungel met die grote kaak me voorbij. Hellas atletiek uit Utrecht, zie ik op zijn singlet. Die komt van ver, denk ik. Hij lacht nog een keer zuinigjes, en……gaat er dan vandoor alsof wij stilstaan. Met schijnbaar gemak loopt hij ons drie er op de laatste honderden meters nog zowat 70 meter af. Ik word in de eindsprint nog door de Rotterdammer voorbijgegaan en of ik van die jongen van Sprint won, weet ik niet meer. Ik val na de finish om. Totaal kapot. Wel een PR met twee minuten en drie seconden, maar die vent uit Utrecht heeft 1 minuut 57 gelopen. Ongelooflijk. Er drommen mensen om hen heen. Zo te zien de scouts. Ik baal, ik zit er door heen. Heb geen zin meer in atletiek. Maar Frank de Hoon praat me er doorheen. Je moet doorgaan. Groot talent. Als je doortraint. Zal jij eens zien.Scan00;l05

Ik train nog een jaar lang door, maar ik verbeter geen seconde. Op het Beneluxkampioenschap, een half jaar later in Weert, ben ik zelfs veel slechter dan toen de avond in Roosendaal. Er zit geen progressie meer in. En het is zo’n afschuwelijke afstand. Wat je ook traint, die idiote pijn, die uitputting, die marteling blijft in 800 meterwedstrijden. Mensen zijn niet gebouwd om 800 meter te lopen. Als ik naar de zesde klas van de middelbare school ga, besluit ik echt met die zelfkwelling van het lopen te stoppen.

Ergens in 1980 zat ik televisie te kijken. Voor het eerst sinds tijden durfde ik weer te kijken naar baanatletiek. Start van de 800 meter van een of ander kampioenschap. Alleen al de aanblik van de baan deed zelfs na twee jaar nog het hart in mijn keel kloppen. Ik ruik kruitdamp na het startschot op t.v. Dan pas dringt alles echt goed tot me door. Hé die vent? Kijk nou wie d’r wint? Dat is die Utrechter, die lange slungel van 3 jaar geleden. Dat is – zegt de commentator – Rob Druppers. De grootste 800-meter kampioen die we ooit in Nederland zullen hebben. De Rob Druppers die er voor heeft gezorgd dat ik ben gaan studeren, en – voor me zelf onverwacht – carrière heb gemaakt in dat vak. Die er voor heeft gezorgd dat ik op mijn pootjes ben terechtgekomen (of niet, maar dan nog doet het er niet toe).

Maar vóór alles is dat de Rob Druppers van wie ik op 21 juni 1978 nèt niet heb gewonnen op de 800 meter omdat ik te lange spikes aan had en een ongehoorde pijn in mijn knieën.

naamlobfhaerfbos

Posted in Algemeen, Persoonlijk | Tagged , , , , , , , , , , , , , , | 2 Comments

Diplomademocratie & de Senaat

Marc Bovens, hoogleraar in Utrecht, wees er al in 2006 op dat ons land een ‘diplomademocratie‘ aan het worden is. Een ‘democratie’ waarin hoogopgeleiden aanzienlijk meer politieke invloed hebben dan lager opgeleiden. Nu waren hoogopgeleiden altijd al politiek actiever dan lager opgeleiden maar de laatste jaren is het verschil alleen maar toegenomen, aangejaagd door de ambities van de kenniseconomie. Dat leidt tot een scheve representatie en een situatie waarin hoger opgeleiden mogelijk te veel de dienst uitmaken over lager opgeleiden. Ik zelf zit midden in de kennisindustrie, maar weet dat dit niet klopt en verkeerd af gaat lopen. Wie aarzelingen heeft bij deze analyse (Bovens keek vooral naar de samenstelling van de Tweede Kamer) die zou eens moeten kijken naar de samenstelling van de Eerste Kamer, toch een instituut met de laatste en uiteindelijke stem over het nationale beleid en wetgeving, hoe voorzichtig ze daarmee in ‘formele zin’ (want invloed reikt vaak verder dan formele bevoegdheid) ook mee om te lijken gaan. ekimages

In de Eerste Kamer lijken het vooral de academici die de macht hebben overgenomen. Van de leden van de huidige Eerste Kamer zijn 14/15 leden hoogleraar (18-20%), hebben 60 leden een academische titel (80% – tegenover het landelijke gemiddelde van 14% in 2012). Van de 15 leden zonder academische titel bevinden zich er 6 in de PVV en 3 in de SP. Al is het gezien de aard van het senatoriale werk enigszins te verklaren, het aantal juristen in de Eerste Kamer is buitengewoon groot, zo’n 40%. En de meesten zitten er dan ook nog eens meerdere termijnen (gemiddeld meer dan 2200 dagen). Wie vertegenwoordigt die Eerste Kamer eigenlijk? Wie er slecht van zou willen denken: net als de VSNU vertegenwoordigt de Senaat de Nederlandse Universiteiten en dan met name de juridische faculteiten. Iets om over na te denken bij de aanstaande kandidaatstellingen.

ibalkonmages

Posted in Politiek | Tagged , , , , | Leave a comment

Timmermans en Cicero

Al laat het kwaad zich moeilijk met louter woorden stuiten, soms maakt een groot betoog het verschil. Zo voorkwam de romeinse politicus en schrijver Cicero met een legendarische speech in de ochtend van 7 november 64 v. Chr. een staatsgreep van een club samenzweerders onder leiding van Lucius Sergius Catalina. In zijn rede doet hij een bewogen moreel appèl op de toehorende senatoren én op Catalina, die hij ontmaskert. Cicero’s woorden brengen een ommekeer teweeg.

imagesCAAJRWQ8Frans Timmermans zal zich niet snel vergelijken met Cicero, denk ik, maar zijn woorden gisteravond in de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties waren van Ciceroniaans kaliber. Het was hard, bewogen en raak: hij deed veel mensen recht. Wat zou Willem Witteveen er met zijn liefde voor de retorica van hebben genoten.

 

Uit: de inleiding van de eerste rede van Marcus Tullius Cicero op 7 november 64 v. Chr.

‘Quousque tandem abutere, Catilina, patientia nostra? Quam diu etiam furor iste tuus nos eludet? Quem ad finem sese effrenata iactabit audacia?

Vertaling:untitcatrafafled

Hoelang nog in ‘s hemelsnaam, Catilina, zal je ons geduld misbruiken? Hoelang nog zal die razernij van jou met ons de draak steken? Tot welk uiterste zal jouw lef zich grenzeloos roeren? (ofwel) Hoelang nog zal jouw grenzeloze lef zich roeren?

Posted in Politiek, Uncategorized | Tagged , , , , , , , , , | Leave a comment

Tattoo

Welk probleem wordt met tatoeages opgelost? Op welke vraag geeft een huidtekening een antwoord? Tja, daar vraag je me wat. Niet de problemen of vragen van het voetbal. Sinds gisteren het nauwelijks tot niet-getatoeëerde Duitse nationale voetbalelftal het WK won van het overdadig ge-kleur-etste PSG - VALENCEArgentijnse elftal staat wel vast dat er geen causaal verband bestaat tussen tattoos en voetbalsucces. Gaat het om identiteit dan – de ultieme wezensvraag van onze tijd. Expressie via vel?  Een manier voor mensen die niet zo goed zijn met woorden om hun innerlijk behang* naar buiten te draaien? Een mens als levend affiche in het beeldtijdperk. Of spannender, gaat het bij de moderne tattoo vooral om kleine hinkelpasjes in een paardans vol geheimen, kleurencryptologie en nieuwe lokroepen (ik heb ‘ook’ een T/ik heb nog ‘meer’ T’s/O, waar dan?/wat heb jij mooie T/wil je mijn T zien (optioneel: bij mij thuis)? etc.) Of is het toch vooral stoer-bewijs: ‘ik verdraag de punt van een passer in mijn vel.’ Ik zou het niet weten, ik ben voorgoed verloren voor de geheimcodes van de oppervlaktebeschildering vrees ik. Besmet door een jeugd waarin tatoeages maar één ding zeiden: ‘gevaarlijk’. Weggelegd voor zeelui, bikers en bajesklanten. Nee, niet dat dat me weerhoudt en ook niet de vrees voor pijn, maar wel het aanzicht van generatiegenoten die toentertijd een tattoo lieten zetten en nu, met gerimpeld en verlept perkament, in half ontblote staat zomers rondlopen. Flets geworden tekeningen, uitgedoofde boodschappen. Levend bewijs van het feit dat een tatoeage niet lang houdbaar is, maar wel altijd blijft zitten.

imagesCAZG8KM0imagesCASXHCTJ

 

 

 

 

* Hans Lodeizen – De buigzaamheid van het verdriet

in een wereld van louter plezier
kwam ik haar tegen, glimlachend,
en ze zei: wat liefde is geweest
luister ernaar in de bomen
en ik knikte en we liepen nog lang
in de stille tuin.

de wereld was van louter golven
en ik zonk in haar als een lijk
naar beneden het water sloot
boven mijn hoofd en even
voelde ik een vis langs mij strijken
in de stille zee.

dag zei ik tegen haar dag kom
ik je nog eens tegen, glimlachend
maar de wind blies weg
haar gezicht in het water
en ik knikte en ik werd onzichtbaar
in het stille leven.

uit: ‘Het innerlijk behang en andere gedichten’, 1952.

Posted in Algemeen | Tagged , , , | 3 Comments