Als je de Kamer 22 keer in 7 jaar niet of onvoldoende informeert: is dat dan een patroon?

Een vreemd advies

Waarom? Dat is het eerste wat je je afvraagt als je het recente, ongevraagde advies Raad van State van 15 juni 2020 (No. W04.20.0135/I) over ministeriële verantwoordelijkheid leest. Midden in crisistijd, aan het einde van de looptijd van het kabinet. Wat wil de Raad, ongevraagd en al, hier bereiken?

In het advies maakt de Raad zich zorgen over de toenemende verruwing van de verhoudingen tussen Kamerleden, kabinet en ambtenaren. Niet alleen zijn de spelregels voor het noodzakelijke samenspel op de achtergrond geraakt, volgens de Raad, maar er zijn ook geleidelijk verschillende opvattingen over het samenspel ontstaan.Zitting Raad van State 3 december 2019 - Windpark Koningspleij

Al doet het advies nog zo zijn best een op het oog evenwichtige analyse te geven, er wordt stevig partij getrokken voor bewindspersonen en ambtenaren. De schuld voor de verruwing wordt zonder al te veel reserve bij de Tweede Kamer gelegd, die zich veel te veel door de waan van de dag en incidentenpolitiek zou laten leiden. En het rapport gaat, heel bijzonder, keer op keer pal staan voor ambtenaren. Die moeten vooral beschermd worden door hun ministers, de Kamers moeten van ambtenaren afblijven. Dat is zeker in beginsel zo, maar het wordt tot een soort mantra in het advies. Keer op keer weer. Waarom?

Het advies staat sterk in de sleutel van een gouvernementele, bestuurlijke logica. Want aan de vraag of misschien het steeds sterker geworden bestuur, de regering, met zijn machtige informatiepositie, de Kamers juist in een positie heeft gebracht waarin die veroordeeld zijn tot incidentenpolitiek, omdat ze gewoonweg de informatie, noch de mogelijkheden krijgen systematisch en effectief mee te denken over regeringsbeleid en dat ook te controleren, komt in het advies eigenlijk niet aan de orde. Ook niet dat mogelijk de eigenlijke schuld van het gebrekkiger gaan functioneren van de as regering-parlement van de afgelopen tien jaar gezocht moet worden in de torenhoge sturings- en veranderingsambities van de overheid, met daarbij de onmogelijke opgave om die uit te voeren, en de ‘managerial’ aanpak van het overheidsbestuur. Het komt nauwelijks aan de orde. En dat de Kamer in zo’n situatie van steeds groter wordende (informatie)achterstand op de kabinetsagenda dan harder gaat roepen, via incidenten probeert aan te klampen op wat er gaande is, en af en toe ook eens in gesprek wil met de verandermanagers op de departementen die vaak meer weten dan een minister of staatssecretaris (en die zelfs wel eens aan willen spreken), is toch niet zo gek?

Venijnig eind aan tweedaags debat over compensatiewet ...De Raad doet voorkomen dat hij een objectieve, door feiten gestaafde analyse geeft, maar dat blijkt bij doorlezen toch niet altijd het geval. Er zitten, juist op cruciale punten echt overtuigingen in.

Een voorbeeld. Heeft de Raad gelijk op pagina 34 van het advies als hij stelt?:

‘De overheid blijkt daardoor vaak niet of maar moeizaam te voldoen aan de sterkere roep om openbaarheid vanuit de samenleving en vanuit het parlement. Het naar boven halen en selecteren van de relevante informatie kost daarbij ook tijd, geld en menskracht. Vaak wordt er te gemakkelijk van uitgegaan dat informatie te allen tijde en onmiddellijk beschikbaar kan zijn. De werkelijkheid is gecompliceerder.

Dat neemt niet weg dat in bepaalde gevallen signalen die door burgers, journalisten en Kamerleden worden aangedragen eerst lange tijd door bewindslieden worden ontkend of onderschat terwijl later blijkt dat die signalen wel degelijk juist waren. In de beeldvorming lijkt dat vaak het gevolg te zijn van een structureel patroon van achterhouden en verdraaiingen van de feiten. Dat zou incidenteel voor kunnen komen maar voor een structureel patroon bestaat geen bewijs.

Volgens de Raad bestaat er geen cultuur van toe- of afdekken en valt het allemaal wel mee: geen bewijs voor een structureel patroon, meer beeldvorming. Dat is wel een vreemde aanname, met een ‘bewijs’ uit het ongerijmde van de Raad, die voor deze stelling zelf geen ander bewijs dan de eigen indruk geeft; eigen beeldvorming, zeg maar.Omtzigt (CDA): 'Wil van Rutte horen dat de Kamer recht heeft op ...

Wie ook maar eventjes de moeite neemt om aan de hand van krantenberichten van de afgelopen 7 jaar te kijken wanneer er ‘incidenten’ waren waarbij de regering de Kamer niet, of onjuist de Tweede Kamer informeerde die komt al snel tot het volgende lijstje.

(G)een patroon van toe- en afdekken 2013-2020?

In de volgende gevallen gaven bewindspersonen de afgelopen 7 jaar, in discussie met de Kamers, toe dat de Kamer niet, onjuist of onvolledig was geïnformeerd – in één enkel geval is er nog niet zo’n discussie geweest.

Niet, onjuist of – in mindere mate – onvolledig informeren van de Kamer wordt wel gezien als een politieke doodzonde, en een overtreding van de plicht die artikel 68 Grondwet aan ministers en staatssecretarissen oplegt om de Kamers inlichtingen te verschaffen.

  1. 2013 Rapport Commissie de Wit – overname/redding Fortis. ABN/Amro, ING (over de periode 2008-2009) De toenmalige minister van Financiën Wouter Bos heeft de Kamer niet op tijd en/of niet volledig heeft geïnformeerd. Daardoor is de controlerende taak van de Kamer belemmerd. ‘De Kamer is bij de crisismaatregelen in vrijwel alle gevallen pas achteraf door de minister geïnformeerd.’ https://www.volkskrant.nl/nieuws-achtergrond/conclusies-de-wit-kamer-onvolledig-geinformeerd-grote-fouten-bij-overname-abn-gebrekkig-toezicht~b30b3e7ab/
  2. 2011 Minister Edith Schippers betreurt het dat zij in de Tweede Kamer stelde dat er nog geen evaluatie was van het aantal mensen dat zijn zorgpremie niet betaalt. Dat rapport bleek al wel bij ambtenaren op haar ministerie bekend te zijn, liet ze woensdagavond weten.
  3. 2012 Minister Hans Hillen geeft toe de Kamer als Minister van Defensie (2010-2012) de Kamer onvolledig te hebben geïnformeerd https://www.trouw.nl/nieuws/hillen-hield-als-minister-informatie-achter-voor-de-kamer~be7842e9/ (In 2017 dient een strafzaak tegen enkele betrokken ambtenaren. NRC heeft het dossier ingezien. Daarin komt een verhoor door de Rijksrecherche van voormalig minister Hillen in 2014 voor. Hillen legt uit waarom hij als minister besloot geen aangifte te doen tegen een ambtenaar die zich bezighield met de verwerving van auto’s. Diezelfde ambtenaar is één van de verdachten die binnenkort terecht staat. Bron: informatie uit interview NRC 2017 met Hillen)
  4. 2013 S Staatssecretaris van Financiën, Frans Weekers heeft de Tweede Kamer onvolledig en deels onjuist geïnformeerd in de discussie over de mrb-vrijstelling voor oldtimers. https://www.nu.nl/auto/3586511/weekers-heeft-kamer-onvolledig-geinformeerd-oldtimers.html
  5. 2013 Staatssecretaris Weekers houdt informatie achter over Bulgarenfraude https://www.volkskrant.nl/nieuws-achtergrond/weekers-hield-rapport-over-toeslagenfraude-achter~b5929772/
  6. 2013 (Vermeend achterhouden) Minister Blok van wonen houdt een rapport uit 2011 achter dat gaat over de effecten van huurverhogingen. In het stuk staat dat de vraag naar sociale huurwoningen inzakt als de huren snel worden verhoogd. Het ministerie zou wel op de hoogte zijn geweest van het rapport, maar Blok repte er niet over toen er tijdens debatten naar werd gevraagd.
  7. 2014 De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties informeert te laat en op een bijzondere manier de Kamer over betrokkenheid van Nederlandse inlichtingendiensten bij verzameling metadata van telefoongesprekken https://eenvandaag.avrotros.nl/item/plasterk-en-hennis-op-hoop-van-zegen/
  8. 2015 Minister Jeroen Dijsselbloem (Financiën) geeft toe dat hij de Kamer over een aspect van het drama rond de hogesnelheidstrein Fyra beter had kunnen informeren. Geen van de bewindspersonen die het Fyra-dossier in hun portefeuille hadden, informeerden de Tweede Kamer op tijd, volledig en juist, constateerde de enquêtecommissie.
  9. 2015 Bonnetjesaffaire Minister Veiligheid en Justitie – De Kamer blijkt niet, of tenminste onvolledig te zijn geïnformeerd over een bedrag bij een in 2001 door Fred Teeven (inmiddels staatssecretaris Veiligheid en Justitie) als officier van Justitie gesloten deal met een crimineel
  10. 2017 Wilders affaire – De Minister V&J wordt in verlegenheid gebracht over communicatie tussen het Ministerie J&V en OM over vervolging Wilders – de Kamer blijkt hierover niet te zijn geïnformeerd.
  11. 2017 WODC-affaire. Nieuwsuur brengt, naar aanleiding van signalen van een klokkenluider, dat er ambtelijke druk is geweest op inhoud van WODC-rapporten – het Wetenschappelijke Onderzoeks- en Documentatiecentrum van het Ministerie van Veiligheid en Justitie. De Kamer, voor wie de rapporten vaak de basis voor besluitvorming zijn, wordt met deze praktijk op het verkeerde been gezet: niet kloppende of bewerkte WODC-rapporten geven de Kamers onjuiste/onvolledige informatie. Zie https://www.nrc.nl/nieuws/2017/12/07/manipulatie-onderzoek-is-gebruikelijk-a1584200 later https://www.ad.nl/politiek/wodc-top-nam-klokkenluider-niet-serieus-directeur-vertrekt~af7035e3/.
  12. 2018 Premier Rutte laat mogelijke ambtelijke memo’s over afschaffing van de dividendbelasting buiten het informatiedossier kabinetsformatie, waardoor voor de Kamers dit element van de kabinetsformatie niet natrekbaar wordt.
  13. 2018 NLA-dossiers Ministerie van Buitenlandse Zaken, Minister Blok – Nieuwsuur/Trouw onthullen dat er in tegenstelling tot de afspraken (alleen Non Lethal Assistance), subsidie naar strijdgroepen Syrië die juist wel militair kan worden ingezet. De Kamer wordt daar heel haperend over ingelicht, waarbij informatie die voor de journalisten wel beschikbaar is, vanwege de noodzaak tot geheimhouding, niet wordt gedeeld met de Kamers.
  14. 2019 Staatssecretaris Harbers Justitie en Veiligheid informeert de Tweede Kamer onjuist over de misdaadcijfers onder asielzoekers.
  15. 2019 Staatsecretaris Menno Snel van Financiën informeert de Kamer onvolledig en onjuist over Toeslagenaffaire bij Belastingdienst
  16. 2019 Staatssecretaris Ank Bijleveld van Defensie informeert de Kamer onjuist en onvolledig over het aantal burgerdoden Irak bij het Nederlandse bombardement op Hawija
  17. 2019 (december) De Kamer is onjuist geïnformeerd over een historische kunstverkoop door het Koninklijk Huis (blijkt na Kamervragen) https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kv-tk-2019Z26064.odt
  18. 2020 De Staatssecretaris van Financiën heeft de Kamers onjuist/niet geïnformeerd over het bestaan van (en het werken met) zwarte lijsten bij Belastingdienst
  19. 2020 maart, wederom Financiën: Onjuiste informatieverstrekking door de Belastingdienst aan de Nationale ombudsman, waardoor het ook voor de Kamer heel lastig wordt zich een goed beeld te vormen file:///D:/Users/gebruiker/Downloads/onjuiste-informatieverstrekking-door-de-belastingdienst-aan-de-nationale-ombudsman.pdf
  20. 2020 Ministerie van Defensie: onwelgevallige informatie over Kunduz missie blijkt voor de Kamer te zijn verzwegen. https://www.trouw.nl/politiek/zo-goed-ging-het-in-kunduz-niet~b0bebf0c/ Nederland trainde er van 2011 tot 2013 lokale politieagenten. Kamervoorzitter Kadisha Arib schrijft op 31 januari 2020 een brief aan minister-president Rutte en uit daarin de zorgen over de informatiepositie van de Tweede Kamer. Volgens Arib wordt deze positie met regelmaat geschaad door het kabinet, ondanks gesprekken over de informatiekwestie met de premier.
  21. 2020 Zaak Julio Poch – informatie over de Minister van Justitie en de strategie om Poch naar Spanje te krijgen om hem daar te doen uitleveren aan Argentinië (Nieuwsuur 10 maart 2020)
  22. 2020 Zembla uitzending (BNN/Vara) van mei 2020 (‘Koninklijke constructies’) over subsidieverlening en jachtontheffingen op kroondomein het Loo laat zien dat de Kamers in de begroting niet juist en niet volledig worden geïnformeerd over de kosten van het Koninklijk Huis.

Wellicht valt er op punten af te dingen op de vraag hoe ernstig ministers of Arib roept op tot beleefdheid en respect in Tweede Kamer | BNR ...staatssecretarissen te kort schoten in hun informatieplicht – dat zal best. In ieder geval is het lijstje nog zeer onvolledig. Ik kan me zo voorstellen dat ingewijden nog meer incidenten zouden kunnen noemen.

Wat je in ieder geval wel vast kunt stellen is dat er in zekere zin sprake is van een patroon. 22 Gevallen in 7 jaar (sommige reiken natuurlijk wat verder terug in de tijd) is geen klein bier, 10 in de laatste 2 jaar is zeker ernstig. Die toename in de afgelopen 2 jaar zou kunnen zijn veroorzaakt doordat de Kamers samen met onderzoeksjournalistiek wakker lijken te zijn gekust door de incidenten en kritischer het kabinet zijn gaan volgen. Die 10 incidenten in 2 jaar lijken in ieder geval niet door louter toeval te kunnen worden verklaard.

Terug naar de Raad

Waar volgens het eigen beeld van de Raad geen patroon bestaat in de informatievoorziening aan de Kamers laat een heel, heel oppervlakkige analyse van niet meer dan wat krantenkoppen als snel een ander beeld zien. En zo valt er wel meer af te dingen op de soms vreemdsoortige analyses van de Raad van State in het advies van 15 juni over de ministeriële verantwoordelijkheid. Wie het notenapparaat doorneemt kan een glimlach (voor anderen misschien enige ergernis) niet onderdrukken. Voor de onderbouwing is ‘gewinkeld’ in literatuur, veel verwijzingen naar kranten en weblogs als bewijs voor stellingen, met als klein dieptepuntje een verwijzing naar een stokoude, verderlichte bijdrage van de vice-president de Graaf aan een Nijmeegse vriendenbundel uit 1987 over de positie van ministers en ambtenaren (zie noot 59 van het advies).

Nogmaals: waarom doet de Raad van State dit? De invulling en interpretatie van de constitutionele spelregels over ministeriële verantwoordelijkheid (o.a. de bepalingen uit artikelen 42-49 van de Grondwet) is in ons systeem – zonder constitutioneel Hof – bewust overgelaten aan de spelers (regering en Staten-Generaal) zelf, zo leren we uit de toelichtende stukken bij de Grondwet. De Raad van State is ons systeem niet een van die spelers, maar de Raad wil kennelijk nu toch een rol. Waarom?

Kennelijk om ‘de spelregels’ aan te scherpen. Ze ook mede vorm te geven. Maar het past ons belangrijkste adviesorgaan voor de regering niet om als de bovenmeester van de Kneuterdijk het parlement de oren te komen wassen, dunkt me. Dat is niet de rol van de Raad en hij begeeft zich daarmee ook op glad ijs. Als je op een zo gevoelig terrein, ongevraagd de deur in komt trappen, met mogelijk het verwijt van een partijdige blik, dan kan dat ten koste gaan van je gezag.

Ik realiseer me: dit zijn grote woorden en verwijten, maar ik maak me zorgen over deze ongevraagde advisering die past in een lijn van de afgelopen tijd, waarin bijvoorbeeld een ‘geregisseerde’ voorlichting werd gegeven over digitaal vergaderen van de Kamers. De Raad wil ‘meespelen’ en ‘staatsrecht’ maken, zo lijkt het.

 

Posted in Politiek | Tagged , , , , , , , , | 6 Comments

Ontwerp Tijdelijke wet maatregelen covid-19: slecht idee

Schrik

Een paar dagen geleden kreeg ik – via de band – het Ontwerp Tijdelijke wet maatregelen covid-19 onder ogen. Ik schrok ervan. Om twee redenen:

Tweede Kamer schrapt debatten vanwege corona | Politiek | AD.nlTen eerste omdat de regering met dit voorstel ruiterlijk lijkt te erkennen dat de manier waarop het land nu met covid-19 noodmaatregelen en noodbevelen wordt geregeerd eigenlijk niet door de beugel kan: de beperkingen (met name van wezenlijke grondrechten) gaan té ver en schuren/strijden met het recht – zo stelde ook de Raad van State in zijn voorlichting vast ((Voor­lich­ting over grond­wet­te­lij­ke as­pec­ten van (voor)ge­no­men cri­sis­maat­re­ge­len 25 mei 2020).

Op de schuldbekentenis volgt echter geen berouw of boetebesef; het Ontwerp levert ons mogelijk voor een lange periode uit aan bestuur per ministersdecreten. Dat past niet in een democratische rechtsstaat, en dat staat ook haaks op ons grondwettelijke systeem en de waarden en beginselen die in dat systeem zijn verankerd.

Wat is er mis met dat Ontwerp?

Wat is er dan niet in de haak met het Ontwerp Tijdelijke wet maatregelen covid-19? Nou vooral omdat het, als gezegd, onze belangrijke democratische rechtsstatelijke normen en uitgangspunten over hoe we regels (wettelijke regels/algemeen verbindende voorschriften) stellen in dit land met voeten treedt.

De normen waaraan ‘regelgeven’ (= het opstellen van wettelijke regels) is gebonden, zijn neergelegd in de Grondwet en garanderen dat vrijheidsrechten (waaronder grondrechten zoals demonstratierecht, vrijheid van godsdienst,  het huisrecht, etc.), alleen onder strikte voorwaarden en met medewerking en inbreng van onze volksvertegenwoordigers in het parlement of gemeenteraad kunnen worden vastgesteld. Wij, de Nederlanders, moeten altijd vooraf mee kunnen praten over voorstellen die onze vrijheden kunnen beknotten, via onze vertegenwoordigers –  zeggen die normen – en onze vertegenwoordigers moeten er zelfs veranderingen in aan kunnen brengen, of ze helemaal kunnen verwerpen, als die voorstellen niet overtuigen.

En juist aan die garanties maakt het Ontwerp tijdelijk maatregelen covid-19 een eind. Hoe onbelangrijker een minister, hoe verder weg van Rutte | De ...Ministers krijgen de volmacht zelf ingrijpende regels te maken (o.a. afsluiten publieke plaatsen, verbieden evenementen, verbieden openbaar vervoer, sluiten onderwijsinstellingen en nog veel meer). Er hoeft alleen binnen de ministerraad te worden overlegd, de Raad van State wordt niet eens gehoord (normaal verplicht), en de Kamers krijgen het resultaat toegestuurd. Het Ontwerp doet daar heel gewichtig over – toesturen aan de Kamers (art. 58c) – maar het is een sigaar uit eigen doos: ministeriële regelingen moeten sowieso worden gepubliceerd voor ze inwerking kunnen treden. Het daarna nog eens een keer toesturen aan het parlement doet een beetje potsierlijk aan: alsof onze Kamerleden zelf niet wakker genoeg zouden zijn gepubliceerde ministeriële regels te vinden.

Dit Ontwerp Tijdelijke wet  maatregelen covid-19 gaat véél te ver en overtreedt de constitutionele (grondwettelijke) normen alsook de huisregels die de rijksoverheid zelf hanteert voor het opstellen van regels (de zogeheten Aanwijzingen voor de regelgeving) met voeten. Die huisregels – opgesteld door de minister-president en verbindend als beleidsregels – drukken uit wat de belangrijkste democratische rechtsstatelijke normen zijn voor het vaststellen van regels en geven die handen en voeten.

Uitgangspunt daarbij is het primaat van de wetgever (= volksvertegenwoordigers praten vooraf mee over voorstellen voor belangrijke en vrijheidsbeperkende regels en hebben een bepalende stem bij het vaststellen van parlementaire wetten).[i] Volgens dat uitgangspunt gaat het niet aan dat ministers zonder overleg met het parlement belangrijke, of vrijheidsbeperkende regels (nagenoeg) in hun eentje vaststellen. Ministers mogen wel in opdracht van een hogere regelgever (delegatie) eens wat kruimelwerk verrichten in de vorm van het opstellen van details van een regeling: klein grut en uitwerking van de grote keuzes die al zijn gemaakt. Aanwijzing 2.24[ii] van die huisregels van de overheid zegt dat je aan een minister alleen klein spul kan overlaten, of soms, heel soms, spoedeisende zaken – maar zeker niet het soort onderwerpen dat in het Ontwerp Tijdelijke wet maatregelen Covid-19 de revue passeert. Dat Ontwerp geeft eigenlijk een blanco volmacht aan ministers om zelfstandig te regelen. En tijdelijk is die covid-19-wet ook niet echt. Artikel V van het ding zegt dat de ‘tijdelijke’ wet pas na een jaar vervalt (met de mogelijkheid tot  verlenging per regeringsbesluit). Even rekenen: als dit voorstel zo ongeveer voor het zomerreces (op zijn vroegst lijkt me) wordt aangenomen – waarschijnlijker begin september – dan kan het zomaar zijn dat we aan vrijheidsbeperkend-covid-ministersbestuur  – zonder parlementaire inbreng – worden onderworpen tot aan 1 november 2021. Geen goed idee.

Voorbeelden

Wat hier boven staat is misschien nog wat abstract, wellicht ook een beetje juridisch, dus ik voeg hierbij een overzichtje van voorbeelden uit het Ontwerp Tijdelijke wet maatregelen covid-19 toe ter illustratie.

(In dit pdf document van dit bericht is met arcering en tekstballonnen aangegeven waar de pijn zit)

Tijdelijke bepalingen in verband met maatregelen ter bestrijding van de epidemie van covid-19 voor de langere termijn (Tijdelijke wet maatregelen covid-19)

VOORSTEL VAN WET

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

(…)

Artikel I [Wijziging Wet publieke gezondheid]

De Wet publieke gezondheid wordt als volgt gewijzigd:

A

Onder vernummering van hoofdstuk Va tot hoofdstuk VIIa wordt na artikel 58 een hoofdstuk ingevoegd, luidende:

Hoofdstuk Va. Tijdelijke bepalingen bestrijding epidemie covid-19

1. Algemene bepalingen

(…)

Artikel 58b [Reikwijdte]

  1. Dit hoofdstuk is van toepassing op de bestrijding van de epidemie, of een directe dreiging daarvan.
  2. Onverminderd de in artikel 7, eerste lid, bedoelde taak van Onze Minister om leiding te geven aan de bestrijding van de epidemie kan de in dat lid bedoelde bevoegdheid om een opdracht te geven aan de voorzitter van de veiligheidsregio, voor zover die opdracht strekt tot het vaststellen van algemeen verbindende voorschriften ter bestrijding van de epidemie, of een directe dreiging daarvan, worden toegepast voor zover de bij of krachtens dit hoofdstuk toegekende bevoegdheden niet toereikend zijn.

(…)

 Artikel 58c [Vaststellen ministeriële regelingen]

  1. De vaststelling van een krachtens dit hoofdstuk vast te stellen ministeriële regeling geschiedt door Onze Minister in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad.
  2. Onze Minister zendt onverwijld na de vaststelling van een ministeriële regeling een afschrift daarvan aan beide Kamers van de Staten-Generaal.

 (…)

Artikel 58h [Openstelling publieke plaatsen]

  1. Het is verboden een bij ministeriële regeling aangewezen publieke plaats voor publiek geopend te hebben.
  2. Het is verboden als publiek aanwezig te zijn op een publieke plaats die niet voor publiek geopend mag zijn.
  3. De burgemeester kan met het oog op bijzondere gelegenheden ontheffing verlenen van het in het eerste lid bedoelde verbod, voor zover het belang van de bestrijding van de epidemie zich hier naar zijn oordeel niet tegen verzet. Aan de ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden.

Artikel 58i [Evenementen]

  1. Het is verboden een bij ministeriële regeling aangewezen evenement te houden of te laten plaatsvinden.
  2. Het is verboden deel te nemen aan een evenement dat niet mag worden gehouden.
  3. De burgemeester kan met het oog op bijzondere gelegenheden ontheffing verlenen van het in het eerste lid bedoelde verbod, voor zover het belang van de bestrijding van de epidemie zich hier naar zijn oordeel niet tegen verzet. Aan de ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden.

Artikel 58j [Overige regels]

  1. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over:
  2. hygiënemaatregelen, waaronder het gebruik van beschermingsmiddelen, voor zover die geen betrekking hebben op het gebruik ervan in de woning;
  3. de uitoefening van beroepen waarbij het naar zijn oordeel niet mogelijk is ten minste de veilige afstand te houden tot een klant of patiënt, met inbegrip van een verbod tot uitoefening daarvan;
  4. het gebruik van voorzieningen die voor het publiek toegankelijk zijn.
  5. 2. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over andere maatregelen die de kans op verspreiding van covid-19 redelijkerwijze beperken. Na de plaatsing in de Staatscourant van een krachtens de eerste zin vastgestelde ministeriële regeling wordt een voorstel van wet tot regeling van het betrokken onderwerp zo spoedig mogelijk bij de Tweede Kamer van de Staten-Generaal ingediend. Indien het voorstel wordt ingetrokken of indien een van de beide Kamers van de Staten-Generaal besluit het voorstel niet aan te nemen, wordt de ministeriële regeling onverwijld ingetrokken. Wordt het voorstel tot wet verheven, dan wordt de ministeriële regeling ingetrokken op het tijdstip van inwerkingtreding van de wet.
  6. Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat de burgemeester met het oog op bijzondere gelegenheden ontheffing kan verlenen van de krachtens het eerste en tweede lid gestelde regels, voor zover het belang van de bestrijding van de epidemie zich hier naar zijn oordeel niet tegen verzet. Aan de ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden.
  7. Artikel 1, eerste lid, van de Wet gedeeltelijk verbod gezichtsbedekkende kleding vindt geen toepassing voor zover de in dat artikellid bedoelde kleding geheel of gedeeltelijk bestaat uit beschermingsmiddelen als bedoeld in het eerste lid, onder a.

(…)

 

Etc., etc.

Lees verder voor het hele voorstel: https://www.raadsleden.nl/sites/www.raadsleden.nl/files/documenten/twm_covid-19_consultatieversie.pdf

 

Voetnoten

[i] Neergelegd in Aanwijzing 2.19, dat (met wel wat veel jargon) luidt:

Aanwijzing 2.19 Primaat van de wetgever

Bij verdeling van de elementen van een regeling over de wet en algemeen verbindende voorschriften van lager niveau bevat de wet ten minste de hoofdelementen van de regeling. Bij de keuze welke elementen in de wet zelf regeling moeten vinden en ter zake van welke elementen delegatie is toegestaan, dient het primaat van de wetgever als richtsnoer.

Toelichting

Betrokkenheid parlement. Het primaat van de wetgever dient niet aldus te worden verstaan dat het parlement bij alle onderdelen van een regeling rechtstreeks moet worden betrokken. Lang niet alle onderdelen van een regeling zijn van die betekenis dat directe parlementaire invloed op de vaststelling daarvan in de rede ligt. De mogelijkheid die het parlement heeft het regeringsbeleid achteraf te controleren, is dan voldoende.

Gelet op het vorenstaande dient voor de keuze welke elementen van een regeling in de wet moeten worden geregeld en ter zake van welke elementen delegatie toelaatbaar is, steeds te worden onderzocht welke elementen van een regeling zo gewichtig zijn dat de volksvertegenwoordiging rechtstreeks bij de vaststelling moet worden betrokken. Aldus moeten ten minste de hoofdelementen van een regeling in de wet worden opgenomen.

Hoofdelementen van de regeling. Hoofdelementen zijn in ieder geval de reikwijdte en de structurele elementen van de regeling. Veelal zullen daartoe ook de voornaamste duurzame normen behoren. Het kan echter uit een oogpunt van toegankelijke regelgeving beter zijn om in de wet over een bepaald onderwerp geen materiële normen op te nemen, maar aan de lagere wetgever over te laten een integrale materiële regeling tot stand te brengen.

(…)

[ii] Aanwijzing 2.24. Toelaatbaarheid delegatie aan minister

1.Delegatie van regelgevende bevoegdheid aan een minister wordt beperkt tot voorschriften van administratieve aard, uitwerking van de details van een regeling, voorschriften die dikwijls wijziging behoeven en voorschriften waarvan te voorzien is dat zij mogelijk met grote spoed moeten worden vastgesteld.

2.Delegatie van regelgevende bevoegdheid aan een minister is ook toegestaan indien het gaat om het verwerken in de Nederlandse wetgeving van internationale regelingen die de Nederlandse wetgever, behoudens op ondergeschikte punten, geen ruimte laten voor het maken van keuzen van beleidsinhoudelijke aard.

Toelichting

Indien delegatie plaatsvindt verdient het de voorkeur dat de bevoegdheid wordt toegekend bij algemene maatregel van bestuur regels te stellen. Slechts in bepaalde gevallen is delegatie of subdelegatie aan een minister geoorloofd. Deze aanwijzing geeft aan welke gevallen dit zijn. Onder omstandigheden kan het ook gaan om een (tijdelijke) ministeriële regeling die de instelling van een vergunningplicht inhoudt (vgl. artikel 2 van de Wet op bijzondere medische verrichtingen). Zie ook aanwijzing 9.8.

 

Posted in Politiek, Uncategorized | Tagged , , , , , , , , , , | 28 Comments

Voorlichting Raad van State over digitaal vergaderen vliegt uit de bocht

Op verzoek van de Eerste Kamer adviseerde Raad van State op 16 april over het functioneren van
de Eerste Kamer in tijden van de coronacrisis. Een beetje vreemd om die voorlichting te vragen over je eigen vergadermodus. En ook vreemd dat je het de Raad van State vraagt: dat is geen constitutioneel hof, maar een adviseur van de regering. En al helemaal niet de enige bewaker van de Grondwet. Dat zijn in ons systeem de Kamers ook: ook die genieten interpretatieautoriteit waar het gaat om grondwettelijke voorschriften. Nou, goed dan, die voorlichting werd toch gevraagd. Of ze daar bij de Raad – kortgezegd – eens wilden kijken of alle ‘fysieke’ eisen die artikel 67 van de Grondwet stelt aan het vergaderen van de Kamers (quorum, beraadslagen en besluitvormen) ook in zouden mogen ruilen voor digitale mogelijkheden. Een paar weken eerder vond de Raad in het kader van een soortgelijke advisering over (vergelijkbare) ‘fysieke’ eisen die de Gemeentewet en Provinciewet aan het vergaderen van raden en staten stellen je die ‘fysieke’ eisen niet zomaar in zou kunnen ruilen voor digitale. Er moest daarvoor een aparte en tijdelijke wet digitaal vergaderen voor decentrale overheden komen die onder strikte voorwaarden – wettelijk geregeld – dat digitaal vergaderen decentrale overheden mogelijk zou maken tot 1 september. Daar werden decentrale overheden wel een beetje chagrijnig van (ze moesten tot ver in april wachten vooraleer ze er mee konden werken), maar enfin, wet is wet.

Wie de voorlichting leest moet wel heel wat wegslikken. Eerst en vooral lijkt de Raad als een blad aan een boom gedraaid ten opzichte van zijn advies bij de Tijdelijke wet digitaal vergaderen decentrale overheden (digitaal vergaderen voor de Eerste Kamer kan best volgens de Raad zonder de regels aan te passen). Daarnaast trekt de Raad wel een hele grote broek aan waar het gaat om het vaststellen van de voorwaarden waaronder dat dan kan gebeuren. De Raad ‘maakt’ in zijn voorlichting een waslijst nieuwe regels voor digitaal vergaderen (niks tijdelijks aan) die als een soort nieuwe staatsrechtelijke spelregels moeten gaan gelden. Dat is helemaal niet de rol van de Raad in ons bestel; de Raad heeft helemaal niet de bevoegdheid hier dit soort verstrekkende jurisprudentie te maken.

Emeritus hoogleraar staatsrecht Douwe Jan Elzinga noemde deze voorlichting terecht ‘een
miskleun’ 
en het is ook belangrijk dat de Kamers dit advies weerspreken, en er een eigen interpretatie tegenover zetten, voordat deze Voorlichting stadsrechten krijgt als ongeschreven staatsrecht.

Waar gaan die zorgen in de voorlichting nou precies over? Nou ten eerste geeft de Raad van State wel een heel, heel ruime interpretatie aan artikel 67 van de Grondwet. Dat artikel zegt dat de Kamers alleen mogen beraadslagen of besluiten, indien meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden ter vergadering aanwezig is, en dat besluiten worden genomen bij meerderheid van stemmen. Als je het zo leest zou je denken dat niks in deze bewoordingen zich verzet tegen digitaal vergaderen met gebruik van digitale hulpmiddelen (inclusief presentielijst). Nou is er al van verschillende kanten op gewezen dat dit grondwettelijke voorschrift wel moet worden gelezen in de context van andere eisen die de Grondwet stelt: leden hebben een individueel mandaat. Als je digitaal gaat vergaderen, komt dat onder druk door – zoals Elzinga dat noemt – ‘collectivering’ van het vergaderen. Je bent niet meer daar en dan bij elkaar, kunt elkaar niet meer in de ogen kijken, op andere gedachten komen tijdens de vergadering, afwijken van de fractiediscipline, wordt nagenoeg onmogelijk als je in digitale ruimtes wordt voorgekookt of ‘voorgeperst’. Daarnaast – hoe controleren we identiteit, welke apps of middelen zetten we in, etc. etc.? De Raad bekreunt er zich nauwelijks om. De nood is hoog, dus we interpreteren de Grondwet maar ‘au besoin de la cause’ want nu de Grondwet wijzigen op korte termijn lukt niet.

Inconsistent ten opzichte van dat advies digitaal vergaderen. Maar het is niet die inconsistentie – door de Raad ‘weggestopt’ in noot 74 van de Voorlichting – die me de meeste zorgen baart, al is het zuur voor decentrale overheden die op die wet moesten wachten en na 1 september niet meer digitaal kunnen vergaderen en daarvoor afhankelijk blijven van de Haagse wetgever.

Mijn meest belangrijke zorg zit in het feit dat de Raad van State hier met heel brede stroken de regels en uitgangspunten voor digitaal vergaderen ‘bedenkt’ en die brengt als ‘beginselen’ en uitgangspunten ontleend aan de geest van de artikelen 66, 67 en 69 en aan die Tijdelijke wet digitaal vergaderen decentrale overheden (p. 17 van de Voorlichting). De Raad ‘maakt’ hier de regels, en met deze voorlichting aan de Eerste Kamer wordt mogelijk een riskant precedent geschapen; voorlichting van de Raad die als ‘jurisprudentie/legisprudentie’ gaat werken ten aanzien van de grondwettelijke regels die het functioneren van de Kamer betreffen. Zo kan straks de Eerste Kamer nog meer Voorlichting gaan vragen over grondwettelijke regels (willekeurige bepalingen uit Hoofdstuk 3 van de Grondwet) die dan ook – mits onweersproken – bindend zijn voor de Tweede Kamer. Dat is heel onwenselijk natuurlijk, de Eerste Kamer die over de band Tweede Kamer kan ‘gijzelen’. Een ander belangrijk bezwaar bij de waslijst van 11 zelfbedachte regels die op p. 17 van de voorlichting worden opgesomd is dat ze meer vragen oproepen dan dat ze oplossen. Wat is nu de juridische status van deze regels, wat geldt als bijzondere omstandigheid (‘noodzakelijke continuering van de democratische besluitvorming’), wanneer moeten we weer terug naar ‘gewoon’ vergaderen, kunnen Kamerleden zich ook in de toekomst beroepen op een ‘recht’ op digitale convocatie, beraadslaging en besluitvorming, hoe zit het met de rechten van individuele leden, wat voor technische randvoorwaarden gelden (‘open source?’), wie mag dat aanbesteden, aanbieden, etc., etc.? Verder is de voorlichting ook op het punt van aanpalende leerstukken zoals dat van de parlementaire immuniteit weinig doordacht: gelden dezelfde regels als in de fysieke situatie? Alleen bescherming tijdens de vergadering (zoals de voorzitter die bepaalt), maar hoe gaan we dan om met de mogelijkheid dat de leden niet alleen zelf op beeld’ aanwezig zijn? En nog vele vragen van deze soort. Deze voorlichting vraagt om een hard en duidelijk weerwoord van die andere grondwetsinterpretatie-autoriteit in Nederland: de Kamers van de Staten-Generaal.

 

 

 

Posted in Algemeen, Politiek | Tagged , , , , , | 5 Comments

Noodmaatregelen en corona: de regels

I. Nood breekt wet? Nee, noodmaatregelen volgens de wet

Dit gebeurde nog niet eerder. Het kabinet kondigt zojuist (23 maart 19.05 u.) vergaande maatregelen aan die bijeenkomsten en samenscholing tot 1 juni 2020 beperken. Dat is even schrikken in een vrije samenleving. Mag dat zomaar?

Jawel. De ministers gebruiken daarvoor de structuur van de Wet op de veiligheidsregio’s en de Wet publieke gezondheid om centraal regie te nemen in geval van de bestrijding van epidemieën. De techniek is dat de centrale overheid burgemeesters kan opdragen van hun bevoegdheden gebruik te maken.

Bij het samenscholings- en bijeenkomstenverbod draagt de Minister van V&J (de centrale overheid) burgemeesters op gebruik te maken van hun bevoegdheid toezicht te houden op ‘openbare bijeenkomsten en vermakelijkheden’ en tot het maken van noodverordeningen.

‘Den Haag’ neemt tijdelijk de bevoegdheden van de burgemeesters over als het ware – of – zo kan je het ook zeggen, de burgemeesters worden uitvoerders van het Haagse noodbeleid.

Kan je dat zomaar doen – de bevoegdheden van de burgemeester overnemen? Ja, ook  dat kan zeker. De Wet op de veiligheidsregio’s en de Wet publieke gezondheid (allebei van vrij recente datum) geven de bevoegdheden voor dit soort tijdelijke noodmaatregelen. Het recht van vrijheid van vereniging, vergadering en betoging (artikelen 8 en 9 van de Grondwet, artikel 12 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, artikel 11 Europese Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens – EVRM) kan worden beperkt in dit soort gevallen, als dat netjes via een wet gebeurt (zoals hier) en bijvoorbeeld noodzakelijk is in het belang van de openbare orde en de volksgezondheid.

Omdat er geen algehele noodtoestand is afgekondigd in Nederland hoef je de opschorting van het recht van vereniging en vergadering ook (nog) niet te melden bij de secretaris-generaal van de Raad van Europa (artikel 15 EVRM).

Hieronder, voor wie het interesseert, de tekst van de artikelen van de regelingen waarom het draait. Laten we hopen dat het niet lang hoeft te duren. Dit soort maatregelen wegen zwaar in democratische en vrije rechtsstaten.

II. De belangrijkste bepalingen (in het kort)

Op grond van de volgende wettelijke regels worden de vrijheidsbeperkende noodmaatregelen ter verdere verspreiding van het coronavirus genomen.

A. Onder de Wet publieke gezondheid heeft de burgemeester bevoegdheden om in noodgevallen maatregelen te nemen epidemieën te bestrijden – die worden nu overgenomen door de Minister op basis van:

Artikel 7 Wet publieke gezondheid           

  1. In de situatie, bedoeld in artikel 6, vierde lid, (bestrijding epidemieën WV)[1] geeft Onze Minister leiding aan de bestrijding en kan Onze Minister de voorzitter van de veiligheidsregio opdragen hoe de bestrijding ter hand te nemen, waaronder begrepen het opdragen tot het toepassen van de maatregelen, bedoeld in hoofdstuk V.
  2. In afwijking van artikel 6, derde lid (normaal is de burgemeester het bevoegde gezag WV),[2] geeft Onze Minister leiding aan de bestrijding van een infectieziekte behorend tot groep B1 of B2, indien de burgemeester van een gemeente die het aangaat daartoe verzoekt. Onze Minister kan dan de burgemeester opdragen hoe de bestrijding ter hand te nemen, waaronder begrepen het opdragen tot het toepassen van de maatregelen, bedoeld in hoofdstuk V.
  3. Onze Minister kan de burgemeester opdragen om, ter uitvoering van de aanbevelingen, bedoeld in de artikelen 15 en 16 van de Internationale Gezondheidsregeling, toepassing te geven aan de maatregelen, bedoeld in de artikelen 51, 54 en 55, alsook om de maatregelen, bedoeld in artikel 22a van de Wet op de lijkbezorging, toe te passen.

(…)

B. Ter bescherming van de openbare orde in de publieke ruimte heeft de burgemeester bevoegdheden en de bevoegdheid noodverordeningen te maken op grond van de Gemeentewet – die worden hier overgenomen door de Minister, op basis van:

 Artikel 54 Wet op de veiligheidsregio’s  

Onze Minister kan, indien het algemeen belang zulks dringend eist, bevoegdheden van de commissaris van de Koning en van de burgemeester op grond van deze wet geheel of ten dele aan zich trekken dan wel een andere autoriteit daarmee geheel of ten dele belasten.

Artikel 174 Gemeentewet

  1. De burgemeester is belast met het toezicht op de openbare samenkomsten en vermakelijkheden alsmede op de voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven.
  2. De burgemeester is bevoegd bij de uitoefening van het toezicht, bedoeld in het eerste lid, de bevelen te geven die met het oog op de bescherming van veiligheid en gezondheid nodig zijn.
  3. De burgemeester is belast met de uitvoering van verordeningen voor zover deze betrekking hebben op het in het eerste lid bedoelde toezicht.

Artikel 176 Gemeentewet

  1. Wanneer een omstandigheid als bedoeld in artikel 175, eerste lid, (oproerige beweging, ernstige wanordelijkheden, of ramp WV) zich voordoet, kan de burgemeester algemeen verbindende voorschriften geven die ter handhaving van de openbare orde of ter beperking van gevaar nodig zijn. Daarbij kan van andere dan bij de Grondwet gestelde voorschriften worden afgeweken. Hij maakt deze voorschriften bekend op een door hem te bepalen wijze.
  2. De burgemeester brengt de voorschriften zo spoedig mogelijk ter kennis van de raad, van de commissaris van de Koning en van het hoofd van het arrondissementsparket.

(….)

[1] De voorzitter van de veiligheidsregio draagt zorg voor de bestrijding van een epidemie van een infectieziekte behorend tot groep A (Corona behoort hiertoe WV), of een directe dreiging daarvan, en is dan ten behoeve van deze bestrijding bij uitsluiting bevoegd om toepassing te geven aan de artikelen 34, vierde lid, 47, 51, 54, 55 of 56.

[2] (In normale gevallen – artikel 6, derde lid) geeft ‘De burgemeester (…) leiding aan de bestrijding van een epidemie van een infectieziekte, behorend tot groep B1, B2 of C, alsook de directe voorbereiding daarop en draagt zorg voor de toepassing van de maatregelen, bedoeld in hoofdstuk V.’

Posted in Politiek, Uncategorized | Tagged , , , , , | 4 Comments

Informatiepaternalisme: de brief van 18 november 2019 over informatievoorziening aan de Kamer

Afbeeldingsresultaat voor menno snel leijten toeslagen debatGekker moet het niet worden. Woensdagavond 4 december, laat staatssecretaris Menno Snel – in het nauw gebracht door interrumperende Kamerleden (Leijten, Omtzigt) – tijdens het Kinderopvangtoeslagen debat het volgende weten. De reden dat bepaalde cruciale evaluatieverslagen over het hardvochtige handhavingsbeleid van de Belastingdienst Toeslagen niet met de Kamer zijn gedeeld (hij heeft ze zonder er maar in te kijken als ‘vertrouwelijk’ bestempeld) heeft ook daarmee te maken dat hij niet alles kon ‘vinden’. Het viel allemaal niet mee om die informatiehongerige Kamer te voeden. Informatiechaos op het eigen departement als excuus en ook voor de zoveelste keer? Enfin, de Kamer blijkt er gevoelig voor. In het tenenkrommende betoog dat erop volgt laat Snel Leijten weten dat – nu het zoeken zo lastig is – hij er daarom maar voor het heeft gekozen, om de Kamer beter in staat te stellen een zinvol debat te kunnen voeren, de informatie te filteren en te voorzien van ‘duiding’. Wel zo gemakkelijk. Informatie aan de Kamer op een ‘need to know’-basis.Afbeeldingsresultaat voor menno snel leijten toeslagen debat

Renske Leijten (SP) – een ervaren Kamerlid – reageerde terecht als gestoken door een wesp: ‘Wij [de Tweede Kamer] gaan over de informatie die we willen hebben, niet de staatssecretaris!’ Er kwam applaus…van de publieke tribune toch vooral.

Deze vorm van ‘informatiepaternalisme’ waarin Snel de Tweede Kamer probeert mee te nemen, begint al maar normaler te worden. Kamerleden moeten om informatie van de regering te krijgen tegenwoordig steeds harder op de deur slaan. Pieter Omtzigt (CDA) stelde het afgelopen jaar honderden uiterst relevante vragen in verband met het kindertoeslagendrama bij de Belastingdienst. Verwijten en hoon waren zijn deel. ‘Scoringsdrang’ heet dat tegenwoordig, ‘ministers van hun werk houden’. Antwoord kreeg hij eigenlijk niet. Op de veertig vragen die hij 23 juli 2019 stelt aan de staatssecretaris van Financiën – de meeste hele gewone vragen naar concrete informatie die wellicht duidelijk zou kunnen maken wat er aan de hand is bij de Belastingdienst, wie daar aan de knoppen zit, hoe groot het probleem is en waarom er zo genadeloos wordt opgetreden – krijgt Omtzigt steevast ontwijkend of geen antwoord.[1] ‘We zijn het nog aan het uitzoeken, er zijn commissies en groepen aan het werk gezet die dat gaan bekijken (o.a. de commissie-Donner, de Auditdienst Rijk, etc.), we komen er nog op terug,’ dat soort dingen.

Dieptepunt is het antwoord op Omtzigt’s vraag naar een paar zaken die nog bij de rechter zijn. Zaken waarin de overheid beroep of hoger beroep heeft aangetekend tegen ‘fraudeurs’. Dat steeds in beroep gaan met inschakeling van de Landsadvocaat (overigens een gewoon privaat advocatenkantoor, Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn) vormt een van de onderdelen van het standaardrepertoire van hardvochtigheid van de Belastingdienst. Weten over deze werkwijze is cruciaal voor de Kamer. Omtzigt had eerder gevraagd of de Landsadvocaat ‘ruimhartig’ documenten zou kunnen inbrengen over mensen die van fraude werden beticht. Nodig, want in dit Kafkaëske drama wisten mensen meestal niet eens wat er in hun dossier stond, waarvan ze nu concreet werden verdacht. Koudhartig antwoordt Snel dat hij de Landsadvocaat heeft gevraagd (sic!) om de door Omtzigt gevraagde stukken te beoordelen, en…jammer dan…de Landsadvocaat ziet het niet zitten ze te delen. Trouwens, laat Snel daarop volgen: ‘Uw Kamer is geen partij in de lopende procedures en de stukken geven geen extra inzicht in de gang van zaken “in den brede” in het CAF 11-project. Om die reden doe ik uw Kamer de afschriften van de aan de Landsadvocaat verstrekte stukken niet toekomen.’ Als een belletjetrekker die een standje verdient, wordt Omtzigt’s verzoek geweigerd, met de Landsadvocaat als autoriteit. Hij kreeg zowat niks te horen op zijn – weten we nu – uiterst relevante vragen.

Of dit al niet erg genoeg is schrijft de nieuwbakken Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Knops, onlangs in een kort briefje (18 november 2019) dat de Menno Snel-informatie-aanpak voortaan algemeen beleid wordt. De brief legt de Kamer geduldig uit hoe ministers en staatssecretarissen voortaan denken om te gaan met de informatievoorziening aan de Kamer. Volgens artikel 68 Grondwet zijn bewindslieden verplicht de door de Kamer verlangde inlichtingen te geven. Maar het kabinet is kennelijk een beetje klaar met al dat gevraag. In 2002 en 2016 werden over de reikwijdte van die grondwettelijke informatieplicht duidelijke afspraken gemaakt, maar het kabinet laat in de brief weten dat het wel ‘effectief en werkbaar’ moet blijven voor alle betrokkenen (lees: voor het kabinet). Waar de afspraken uit 2002 en 2016 helder vastleggen dat Kamerleden een grondwettelijk recht hebben op informatie dat veel verder gaat dan de rechten die burgers hebben onder de Wet openbaarheid van bestuur (Wob), doet Knops in die brief iets heel merkwaardigs. Hij draait de zaak op zijn kop. Inderdaad, zo geeft hij aan, kunnen Kamerleden veel meer informatie verlangen dan onder de Wob mogelijk is, maar een van de grenzen aan de grondwettelijke informatieplicht van de regering is dat ‘persoonlijke beleidsopvattingen’, van bijvoorbeeld ambtenaren, niet hoeven te worden prijsgegeven. Dat is ook logisch want als we precies zouden weten wie wat in welk overleg heeft gezegd dan is dat vervelend voor betrokken ambtenaren (die kijken voortaan wel lekker uit om nog iets te zeggen) en kunnen bewindspersonen ook tegen elkaar worden uitgespeeld. In 2002 en 2016 vonden de regering en Kamer dat samen een mogelijke reden om zulke informatie niet aan de Kamer te verschaffen. Dat betekende niet dat de Kamer nooit informatie over de ambtelijke of externe werkelijkheid of beleidsvorming ‘achter’ een minister zou mogen verlangen. Dat kan wel, zeggen de afspraken uit 2016 onomwonden. Als de Kamer het echt wil weten dan lak je de namen maar weg. Een zinnige afspraak die het bijvoorbeeld ook mogelijk maakt om er ooit achter te komen of en in hoeverre in de zaak Wilders ambtenaren van Justitie en Veiligheid wellicht zaken hebben gedaan met het Openbaar Ministerie.

De brief van Knops verhaspelt die redenering uit 2016, gooit alles op een hoop en probeert zand in de ogen te strooien. We geven helemaal niks meer prijs over intern beraad, zegt Knops in zijn brief. Dat is kabinetsbeleid, en trouwens ook in de Wob is ‘intern beraad’ reden om informatie te weigeren. ‘Onder artikel 68 Grondwet is het staand beleid dat stukken die zien op intern beraad geen onderdeel worden gemaakt van het debat met de Kamer.’ Aldus de brief. Een fikse ‘bugger off’ voor neuzende Kamerleden. Wie ook maar iets weet van de grondwettelijke inlichtingenplicht gelooft zijn ogen niet. Alles op zijn kop – de regering die uitmaakt wat de Kamer nog mag verlangen. De ministers weten echt wel wat de Kamer nodig heeft, analyseert de brief vaderlijk, en om steeds ingesneeuwd te worden met informatie waar je niks aan hebt is ook zo weer wat. En dan komt er ineens nog een konijn uit de hoge hoed: ‘voor documenten die zien op intern beraad geldt dat er belangrijke staatsrechtelijke en bestuurlijke redenen zijn om niet over te gaan tot de verstrekking daarvan.’ Ik houd me al meer dan dertig jaar met dat staatsrecht bezig, intensief…ik ken die redenen niet. Ze worden hier verzonnen waar je bij staat. Maar wat geeft het: de regering weet echt wel wat de Kamer nodig heeft, en wil die informatie ook best nog ‘duiden.’ En anders vragen we het gewoon aan de Landsadvocaat.

[1] Tweede Kamer, vergaderjaar 2018–2019, 2019Z15340 Vragen van het lid Omtzigt (CDA) aan de Staatssecretaris van Financiën over de kinderopvangtoeslag-affaire en alle aspecten daarvan (ingezonden 23 juli 2019).

Referenties  artikel 68 Grondwet :

  1. Kamerbrief-over-artikel-68-grondwet (1) van Knops van 18 november 2019

De oude afspraken over Informatievoorziening Kamers

2. 2016 Brief over de reikwijdte van art 68 Grondwet

3. 2002 Kamerbrief reikwijdte artikel 68 Grondwet

Posted in Algemeen, Politiek | Tagged , , , , , , , , , , , , , , , | 1 Comment

Amendementvoorstel D66: sigaar uit eigen doos

Kamerlid Sneller D66 lanceert vandaag een voorstel om burgers de mogelijkheid te geven wijzigingen voor te stellen op wetsvoorstellen die aanhangig zijn. Het wordt verkocht als het redelijke alternatief op een referendum waar je alleen maar ‘ja’ of ‘nee’ op zou kunnen zeggen. Een extra inspraakmogelijkheid, zoals de D66 woordvoerder in Trouw te kennen geeft. Om een dergelijk burgeramendement in te kunnen dienen moeten er 70.000 steunbetuigingen zijn, die digitaal kunnen worden verzameld. De indiener mag dan ook het woord voeren over zijn of haar amendement in de Tweede Kamer.

Doekje voor het bloeden, fopspeen en sigaar uit eigen doos tegelijkertijd. Ten eerste staat de Grondwet niet toe dat een ander dan de (leden van de) Tweede Kamer of de regering wijzigingen – amendementen – op wetsvoorstellen tijdens de Kamerbehandeling indienen. Als je dat wilt, moet je de Grondwet herzien – een lange, lastige procedure. Ten tweede, als dat niet je plan is, dan is er met dit voorstel niets nieuws onder de zon: een brief schrijven aan de Kamer kan altijd – we hebben het recht van petitie zegt artikel 5 van diezelfde Grondwet – en daar wordt ook veel gebruik van gemaakt. In onze polder weten lobbyorganisaties en belangengroeperingen van oudsher heel goed hun weg naar Tweede Kamerfracties te vinden. En nogal eens doen ze bij hun inbreng hele concrete voorstellen om wetsvoorstellen aan te passen – met amendement en al. En dan heb ik het nog niet eens over de inmiddels goed ontwikkelde praktijk van internetconsultatie van wetsvoorstellen, waarbij wetsvoorstellen voor de Kamerbehandeling al worden gepubliceerd en burgers, bedrijven en organisaties los mogen op die voorstellen.

Het enige wat het D66-sigaar-uit-eigen-doos-voorstel hier doet is maar liefst een drempel van 70.000 handtekeningen opwerpen. Wat je voorheen allang mocht – brieven schrijven, inbreng hebben – wordt bemoeilijkt met een betaalmuur van 70.000 handtekeningen. Dat kan toch niet de bedoeling zijn.

Afbeeldingsresultaat voor afschaffen referendumD66-er Sneller schermt met de 40.000 handtekeningen die ook nodig zijn voor het burgerinitiatief. Daarmee kan je als groep van burgers iets op de Kameragenda plaatsen. De parallel die Sneller trekt tussen zijn voorstel en het burgerinitiatief klopt echter niet. Bij dat burgerinitiatief gaat het niet om een grondwettelijk recht maar om een eigen bevoegdheid van de Tweede Kamer (die gaat zelf in het eigen reglement over de eigen agenda). Ten tweede: waarom dan ineens 30.000 handtekeningen meer? Met dat burgerinitiatief kon je allang om een wijziging van een wetsvoorstel vragen. Waarom wil Sneller dat nu ineens zoveel moeilijker maken? Ik snap er niks van.

En oh ja, natuurlijk, zo voegt Sneller aan het einde van het interview nog toe, natuurlijk is D66 eigenlijk voor een bindend correctief referendum. Tja, geloof je het zelf, joh?

Posted in Algemeen, Politiek | Tagged , , , , , , , , | 2 Comments

Op de drempel van de toekomst

De introductieweken beginnen weer. Duizenden studenten die zich gereed maken voor een nieuw leven. Ook de studies rechtsgeleerdheid/rechtswetenschappen lopen weer vol. Ze zullen in ieder geval beter les krijgen dan in 1980 (zie: Begin), wellicht ervan langs krijgen (zie: Ontgroenen) of wat terugkrijgen. Wat er van ze gaat worden weten we niet (zie: Jurist van de toekomst ). Maar laat ze daar vooral, de op de drempel van de toekomst, nu nog niet over tobben. Daar is nog een heel leven de tijd voor.

Afbeeldingsresultaat voor introductieweken leiden

Posted in Algemeen, Persoonlijk | Tagged , , , | Leave a comment

Gedoe in Bloemendaal over vragenrecht

Op 19 juni 2018 stuurde het college van B&W van Bloemendaal een wel hele krasse brief aan de gemeenteraad; het college is een beetje klaar met het gevraag van de gemeenteraad, kennelijk. Met een semi-geleerd betoog over de reikwijdte van de inlichtingenplicht die het college van B&W zou hebben op grond van de Gemeentewet, kondigt datzelfde college aan voortaan een boel vragen niet meer te gaan beantwoorden. Ze zullen voortaan niet meer ingaan op ‘verzoeken’ die niet goed zijn gemotiveerd, verzoeken waarbij er twijfels bestaan over de motieven van de vragensteller (vanwege belangenverstrengeling of zelfs maar de schijn ervan), waarbij de persoonlijke levenssfeer van ambtenaren in het geding zou kunnen komen (??), wanneer ze wel wat beters te doen hebben op het gemeentehuis dan achter nutteloze informatie voor een gemeenteraadslid aan te gaan (‘natuurlijke belemmeringen’) en zo nog wat andere gronden. En dat krijgt de gemeenteraad dan per brief besteld als mededeling over het beleid; het college is nog zo royaal de raad de mogelijkheid te geven dat beleid te bekrachtigen.

Nou gaat het daar al een tijdje niet zo lekker in Bloemendaal (ruzies tussen raad, burgemeesters en college, aangiftes over en weer, rechtszaken), maar deze brief lijkt me zeker niet het medicijn om de verhoudingen te verbeteren. Wat ook al niet helpt is dat het college het restrictieve vragenbeleid doet leunen op een werkelijk slecht rapport van de Landsadvocaat – zoals het college de analyse van het kantoor Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn (advocaten en notarissen) plechtig aankondigt. De landsadvocaat maar liefst – opdat de gemeenteraad maar onder de indruk zal zijn van het advies van het advocatenkantoor te Den Haag. Maar Pels Rijcken is niet de Raad van State, en het advies is sterk gekleurd. Pels Rijcken doet in het advies aan de gemeente Bloemendaal net alsof vragen van gemeenteraadsleden verzoeken zijn onder de Wet openbaarheid van bestuur (Wob). Maar, zelfs maar een halve blik op de wetsgeschiedenis en de staatsrechtelijke doctrine leert dat ze dat niet zijn. De gehoudenheid die het college van burgemeester en wethouders kent om inlichtingen te geven op grond van artikel 169 Gemeentewet reikt veel verder dan die om antwoord te geven op een Wob-verzoek. Ze staat in het teken van de verantwoordingsplicht van het college, en ze is ook een werkelijke plicht waar slechts in hoogst uitzonderlijke gevallen, verband houdend met het openbaar belang, van kan worden vrijgesteld. Je moet dan denken aan gevallen waarin het verstrekken van gevoelige persoonlijke gegevens tot ernstige benadeling van particulieren zou leiden of aan zaken die onder de rechter zijn, legde de regering eind jaren zestig uit in de toelichting bij de wet. In geen geval wilde de regering toen een lijstje maken. Weigering van inlichtingen is zo zwaarwegend dat daar per geval een afweging moet worden gemaakt (het is geen bevoegdheid, als in de Wob) en het is, als een college geen inlichtingen zou kunnen verschaffen, aan de gemeenteraad te bepalen of ze het met die afweging eens zijn. Pels Rijcken heeft – ik neem aan dat een advocatenkantoor dat mag doen – heel eenzijdig en uitkomstgericht lopen winkelen in de parlementaire stukken, zaken weggelaten, dingen erbij gesleept (artikel 68 Grondwet bijvoorbeeld, met voorbijgaan aan onwelkome delen van de recente wetsgeschiedenis van artikel 169 Gemeentewet), en die ongelukkige parallel gemaakt met de weigeringsgronden van de Wob. En zelfs als we in die Wob-parallel mee zouden gaan (wat strijd is met de wet, maar enfin), dan nog gaat het Bloemendaalse bestuur verder met zijn inlichtingenweigeringsgronden dan onder de Wob zou kunnen. Daar mag je namelijk helemaal niet vragen naar de motieven van de verzoeker, en die hoeft ook zijn belang niet te stellen. Het voorgestelde beleid van het gemeentebestuur van Bloemendaal zet de wereld op zijn kop, schermt met schijn-autoriteit, en – dat lijkt me nog het belangrijkst – bewijst de goede en juiste politieke verhoudingen binnen de gemeente allerminst een dienst: zo gaan we hier in het decentrale bestuur niet met elkaar om. Niet volgens de Grondwet, niet volgens de Gemeentewet, en niet volgens de normale democratische omgangsregels van eerbied en respect voor een volksvertegenwoordiging.

 

 

  1. De brief van het college van B&W 01 Brief College mbt reikwijdte art. 169 Gemeentewet 2018009623
  2. Het advies van Pels Rijcken 02 Advies landsadvocaat behorend bij Brief College mbt reikwijdte art. 169 Gemeentewet 2018009954
  3. Mijn eigen analyse (met achtergronden en bronnen) 03 Analyse W. Voermans beleid brief van 19 juni 2018 college Bloemendaal over artikel 169, derde lid., Gemeentewet

 

Posted in Algemeen, Politiek | Tagged , , , , , , , , , , , , | Leave a comment

Een vervelend kerstcadeau voor Pechtold: politici en het Geschenkenregister Tweede Kamer

‘Timeo Danaos [1]Beware of Greeks bearing gifts…[2]

Alexander Pechtold is in het nieuws op een manier die die niet leuk vindt. Gedoe. Website GeenStijl berichtte over een schenking ter waarde van ongeveer € 135.000  van een Schevenings appartement door oud-diplomaat Serge Marcoux. Had Pechtold dat nu wel of niet moeten melden in het Geschenkenregister van de Tweede Kamer?

De regels

Er zijn geen wettelijke regels over het aannemen van en registratie van geschenken door parlementariërs, eigenlijk alleen maar huisregels. Artikel 150a, derde lid, van het Reglement van Orde van de Tweede Kamer regelt in dit verband:

‘3. Ter griffie wordt een register bijgehouden waarin de leden de door hen ontvangen geschenken en voordelen met een hogere waarde dan 50 euro vermelden, uiterlijk één week na ontvangst van het geschenk of het voordeel.’

Het woordje voordelen is er pas onlangs aan toegevoegd naar aanleiding van een evaluatierapport van de GRECO-groep van de Raad van Europa[3] – een groep van Europese Staten die zich sterk maakt voor politieke integriteit en corruptiebestrijding. Al stelde die werkgroep in 2013 vast dat Nederland een net land is met integere politici, wel legde het de vinger op de kwetsbaarheid van ons systeem van registratie en transparantie van geschenken aan en voordelen voor parlementariërs. Zo valt het die GRECO-groep op dat er eigenlijk geen wettelijke regels zijn voor het aannemen van giften en voordelen, buiten dan de geschenkenregisters die de Kamers zelf hebben aangelegd. Óf Kamerleden wel alles netjes daarin opnemen, is hun eigen verantwoordelijkheid. Een handhavende instantie is er niet – je kunt er niet mee naar het Openbaar Ministerie of de rechter. Een Kamerlid dat giften of voordelen aanneemt en niet registreert, kun je weinig maken. De waakhond is de Kamer zelf, de Kamervoorzitter kan al helemaal niet politievrouw spelen. Een kwetsbare situatie volgens die GRECO-groep, zeker ook tegen de achtergrond van de registratiepraktijk die nogal te wensen overlaat.[4] De werkgroep van de Tweede Kamer die in 2014 met het GRECO-rapport aan de slag ging, deed niet al te veel met de Europese analyses en aanbevelingen. Een beetje zelfgenoegzaam werden toch vooral de complimenten van de GRECO-groep uitvergroot en werd een beetje sussend gedaan over de aanbevelingen. Ook ‘voordelen’ zouden voortaan in het geschenkenregister opgenomen moeten worden (en in het Kamerreglement opgenomen), bij omissies op het terrein van nevenactiviteiten zou de griffie mogen kattenbellen en er zouden praatgroepjes moeten komen om eens over de ervaringen door te praten. Een beetje het verhaal van de plas en alles laten zoals het was. En dat terwijl de praktijk van het geschenkenregister toch wel heel wat vragen oproept.

Privé of niet privé?

Ten eerste de vraag waarmee Pechtold op het ogenblik aan het hannesen is. Moeten privé geschenken nu wel of niet worden geregistreerd? De D66 fractieleider is heel stellig in zijn verweer: ‘dat hoeft niet.’ Tja dat zal dan wel, als Pechtold dat zegt, maar het Kamerreglement maakt helemaal geen onderscheid tussen giften en voordelen die je hebt gekregen als privépersoon of als functionaris. Eigenlijk maar goed ook, want waar houdt de privépersoon op en waar begint de politicus? Wereldwijd proberen politici of topbestuurders, van, toegegeven, een heel wat bedenkelijker kaliber dan Pechtold in vermeende fraude of corruptiezaken zich te verstoppen achter hun eigen privépersoon, hun privéleven. Ze hebben nu eenmaal veel goede vrienden. Hoe groezelig en verwarrend privé en publiek door elkaar kunnen lopen bewijzen de laatste presidentsverkiezingen in de VS wel. Dat zijn geen klare lijnen.

Met privé of niet privé zijn we er niet. Het gaat om het doel van dat register. Om te kunnen vertrouwen op politici, maar belangrijker nog op ons democratisch politieke systeem, willen burgers tegenwoordig weten wat er speelt, wat er om gaat. Een werkelijk informatief Geschenken- en voordelenregisters stelt burgers in staat om bij de overheid binnen te kijken, te weten wat er gebeurt. We willen weten met wie de onderhandelaars tijdens de kabinetsformatie praten, we willen weten welke belangenorganisaties belet krijgen bij ministers en ambtenaren. De positie van een Kamerlid of Minister die zegt: ‘Ik maak zelf wel uit met wie ik praat,’ is in 2017 zelfs in polderland Nederland niet houdbaar. Om vertrouwen te kunnen hebben en houden in ons politieke systeem, om dat systeem legitiem te laten functioneren, moeten we mee kunnen kijken, moet dat systeem transparant zijn. Als Pechtold terechte vragen stelt over kostenposten van het Koningshuis, waarvan je in de wandeling zou kunnen zeggen dat ze privékwesties betreffen, dan heeft hij daarin gelijk. En als is hij, Pechtold, natuurlijk niet op dezelfde voet publiek persoon als de Koning, zijn goed ontwikkelde politieke antenne zou hem hebben moeten vertellen dat zo’n grote gift van een oud-diplomaat toch wel veel vragen op zou kunnen roepen, zelfs al was het dan een geschenk van een oude vriend. Onhandig op zijn minst, ook in een situatie waarin er geen scheidsrechter is.

De vreemde praktijk van het Geschenkenregister

Wat Pechtold zeker niet heeft geholpen bij zijn afweging om wel of niet de gift te registreren, is de praktijk van de registratie zelf. Het Geschenkenregister van de Tweede Kamer wordt (ongeveer) sinds 2006 bijgehouden. Het was al weer even geleden dat ik ernaar keek, maar er is niet veel veranderd. Weliswaar zijn er veel meer meldingen (om en nabij de 1350), maar die meldingen zijn nauwelijks informatief. Het register en de registraties geven eerder aanleiding tot lacherigheid dan dat ze een serieuze informatiebron voor kritische burgers zijn.

Een paar waarnemingen per december 2017 dan maar: mijn kerstcadeau voor de Kamer.

  • Veel flauwekulregistraties  Het register staat vol met flauwekulmeldingen over giften (wijnflessen, boeken en boekjes, en andere prullaria) met een geregistreerde waarde van (meestal ver) onder de  € 50,- : de registratiedrempel. Onder dat bedrag hoef je niet te registreren. En ze doen het toch. Waarom doen Kamerleden dat? Hardlopend Kamerlid Remco Dijkstra van de VVD maakt het het bontst. Hij laat registreren dat hij op 5 oktober 2013 een geschenkabonnement voor de slijter ter waarde van  € 5,-  heeft ontvangen bij de sponsorloop Kika in Zoelmond en….die bon heeft weggegeven. Dijkstra is sowieso nationaal geschenkenregistratiekampioen: in zijn eentje is hij goed voor 148 registraties. Zo’n kleine 12% van het totaal. En bijna al zijn registraties vallen ruim onder de drempelwaarde. Dat dient natuurlijk geen enkel doel. Het vervuilt alleen de registratie maar (sowieso moeilijk te doorzoeken omdat die in plat Pdf-formaat wordt geleverd). Of is het een stil protest tegen het registratiesysteem – obstructie – telkens weer als hij zijn jas- en broekzakken vol met houtjes en touwtjes omkeert aan het bureau van de griffie?
  • Kleine waarde Van de meeste van de giften en voordelen is de waarde onbekend, heel veel wordt ook weer weggeschonken. Er komt echter weinig met aanzienlijke waarde voorbij. In de gauwigheid telde ik 52 giften met een geldwaarde hoger dan € 100,-. Ca. 4 % van het totaal van de giften. Het boekenpakket dat een aantal Kamerleden (9 stuks) heeft gekregen van uitgeverij Boom in Amsterdam op 30 september 2008 (waaronder de stichtende vertaling van Montesquieu’s Geest der wetten) met een totaalwaarde van € 106,90 tikt daartussen flink door. Ook zijn een flink aantal van de giften met een waarde van meer dan € 100,- vergoedingen voor gehouden lezingen. Vooral in Christelijke SGP/CU-kringen is het kennelijk de gewoonte dat daar contant voor wordt betaald – meestal zo rond of boven de € 100,- (10x). Giften van meer dan 200 euro zijn uiterst zeldzaam: ik vond er maar 7. Drie daarvan zijn weer (Christelijke) lezingen, eigenlijk springen maar 3 wat grotere giften er echt uit. Op 10 oktober 2016 won Gert-Jan Segers (CU) de Grote Bijbelquiz en ontving daarvoor een weekendje weg-bon van € 500,-. Klaas Dijkhoff (VVD) werd op 16 november 2017 gekozen tot Best Geklede Man van het jaar 2017 en won een shoptegoed bij de Bijenkorf t.w.v. € 1.000,- (een serieus bedrag, maar voor een sharp-dresser natuurlijk ook weer niet zoveel). De grootste gift – € 2.011,11 – kreeg Albert van den Bosch (ook VVD)  bij zijn afscheid als burgemeester van Zaltbommel. Eigenlijk geen gift maar een donatie. Zo’n bedrag aan opgehaald geld, gedrukt op een grote kartonnen cheque, die Van den Bosch onmiddellijk doorgaf aan het Dierenasiel Bommelerwaard in Bruchem – waar dat bedrag de hele tijd al voor bedoeld was. Niet om het een of ander, maar de hoogte van de bedragen gemoeid met de giften laat ook zien dat de geregistreerde meldingen over weinig substantiële zaken gaan. Met een schenking van € 135.000,- zou Pechtold er wel enorm zijn uitgesprongen.
  • Gefuifd of mee op pad genomen?  Naast een eindeloze reeks van (niet registratieplichtige) boekjes (eentje ter waarde van € 4,75 ‘Waarom vuilnismannen meer verdienen dan bankiers’), wijnflessen, pennen, bekers en goedkope cognac, komen er ook relatief veel geschonken toegangskaartjes voor sportwedstrijden, concerten en theatervoorstellingen voor. Wel goed dat die geregistreerd worden want met de organisaties die die evenementen organiseren kan je als politicus natuurlijk wel te maken krijgen. Anne Mulder’s (VVD) liefde voor sport, met name voetbal en dan weer met name voor voetbalclub ADO is op het aandoenlijke af. Een keer of 7 werd hij er voor een thuiswedstrijd uitgenodigd. Vooral voor Nederlandse en Europese kampioenschappen, voor voetbal en hockey, maar ook voor de Tefaf krijgen Kamerleden uitnodigingen. Maar kennelijk niet iedereen registreert die op dezelfde manier.
  • Gatenkaas en verouderd  52 Kamerleden krijgen nooit iets, kennelijk. Bij hen is het vakje giften en voordelen leeg. Die lege-handen-Kamerleden tref je aan verdeeld over alle fracties en partijen. Dat een derde van de Kamerleden niks te melden heeft, is wel een beetje vreemd omdat er soms cadeaupakketten bij de hele Kamer worden afgeleverd (zoals dat eerdergenoemde boekenpakket van uitgeverij Boom, alweer uit 2008) die door het ene Kamerlid wel en door het andere Kamerlid weer niet worden geregistreerd. Nu moeten we geen spijkers op laag water willen zoeken, maar aan een onvolledig en grotendeels verouderd register heeft niemand iets. Want het mag zo zijn dat Alexander Pechtold keurig 52 keer melding heeft gemaakt van geschenken – het telt voor niks als nu juist die ene grote, waarover je ook nog wel wat vragen zou kunnen hebben (vragen die de D66 fractieleider ongetwijfeld zal kunnen beantwoorden), er niet tussen staat.

Transparantie

De praktijk van de registratie is dus nog lang niet op orde en een incident als die gift aan Pechtold werpt onmiddellijk een smet op die hele registratie. Het krijgt de bijsmaak van een institutioneel rookgordijn. En wat al zeker niet helpt, is als bij dit soort incidenten de psychologische kaart wordt getrokken (Pechtold is toch een betrouwbaar mens), dat het als kleinigheid van de prioriteitenladder wordt geschopt (‘zijn er nou echt geen belangrijker zaken?’) of dat er bewust wordt verhaspeld. Kamerleden hebben toch een zuiveringseed gezworen waarin ze beloven dat ze geen giften hebben aangenomen om iets wel of niet te doen in het ambt?[5] Dat gaat over iets anders, en dat heeft slechts een indirecte relatie tot het Geschenkenregister.

Het incident Pechtold laat zien dat er op het terrein van transparantie nog een wereld te winnen valt in Nederland. Dat is altijd taaie materie want overleggen in ons polderland vergt nu eenmaal altijd een beetje geborgenheid en vertrouwelijkheid. Af en toe moeten bij ons wel eens katjes in het donker van de achterkamertjes worden geknepen. Dat begrijpt iedereen. Maar daarom dringt het in Nederland juist zo, dat wat we wel echt moeten weten wie onze onderhandelaars zijn. Onze vertrouwelingen die we met ons mandaat achter gesloten deuren laten onderhandelen. Misschien willen of moeten we daarom zelfs ook  dingen weten die gedeeltelijk privé zijn. Als we al zouden weten waar die privésfeer begint. Want het mag nooit zo worden dat die overheid en politici wel bijna alles van ons weten, maar wij nog nauwelijks over hen.

NOTEN

[1] Deel van het citaat ‘Timeo Danaos et dona ferentes’ uit Vergilius’ Aeneis (zang II, vers 49). Het betekent “Ik ben bang voor Danaërs (= ‘Grieken’), ook als zij geschenken aanbieden”. Vergilius legt deze woorden in de mond van de Trojaanse hogepriester Laocoön die een angstig voorgevoel krijgt bij het zien van het houten gevaarte dat de Grieken bij hun vertrek achterlaten op het strand (Het paard van Troje).

[2] Het gevleugelde Engelse gezegde is een niet helemaal correcte vertaling van Vergilius’ vers (kent wel dezelfde stam), maar drukt misschien juist daardoor nog wel een krachtiger boodschap uit.

[3] Group of States Against Corruption (GRECO), Fourth Evaluation Round, Corruption prevention in respect of members of parliament, judges and prosecutors. Evaluation Report Netherlands adopted by GRECO at its 60th Plenary Meeting, Strasbourg, 17-21 June 2013. Council of Europe, Strasbourg 2013.

[4] In de bewoordingen van de GRECO-groep: ‘given the imperfect compliance with the declaration requirements’.

[5] De eed op basis van artikel 60 Grondwet: “Ik zweer (verklaar) dat ik, om tot minister/staatssecretaris/lid van de Staten-Generaal te worden benoemd, rechtstreeks noch middellijk, onder welke naam of welk voorwendsel ook, enige gift of gunst heb gegeven of beloofd. Ik zweer (verklaar en beloof) dat ik, om iets in dit ambt te doen of te laten, rechtstreeks noch middellijk enig geschenk of enige belofte heb aangenomen of zal aannemen.”

Posted in Algemeen, Politiek | Tagged , , , , , , , , , , | 8 Comments

Duominister: Van Dale woord van het jaar?

Wat een gekke brief van de Voorzitter van de Eerste Kamer aan premier Rutte, die brief van 24 oktober 2017 over de kabinetsformatie. De senaat vraagt zich hoe het toch eigenlijk kan dat, zoals de bedoeling is, drie ministeries ieder twee ministers aan het hoofd gaan krijgen (eigenlijk zelfs vier).

Staatsrechtelijk is van belang, zo weet de senaat in de brief, dat duidelijk is welke van de twee ministers in zo’n geval belast is met de leiding van het ministerie. Want artikel 44 van de Grondwet luidt toch immers:

Bij koninklijk besluit worden ministeries ingesteld. Zij staan onder leiding van een minister.

De tekst – ‘een minister’ – sluit feitelijk uit dat twee minister tegelijkertijd met de leiding van een hetzelfde ministerie worden belast, volgens de senaat. Wat gebeurt strijdt dus met de Grondwet.

??

Echt niet. Dit is een staaltje staatsrecht maken waar je bij staat.

Ten eerste staat staatsrechtelijk al decennia vast dat de regering, in goed overleg met het parlement, bepaalt welke ministeries er zullen zijn, hoe die worden ingericht en welke ministerposten en staatssecretariaten daarbij gaan horen. De Grondwet laat daar terecht zoveel mogelijk ruimte voor. Het tweede lid van artikel 44 Grondwet, dat het mogelijk maakt om ministers aan te stellen die niet zijn belast met de leiding van een ministerie, moet ook in die zin worden gezien. Het is een ruimte scheppende bepaling. Ook dat soort ministers mag worden benoemd. Je mag dat niet andersom lezen (zoals de senaat doet): hooguit één minister per ministerie en anders een ‘tweede lid minister’-zonder portefeuille. Dat zou het de facto onmogelijk maken om twee ministers gebruik te laten maken van (onderdelen van) één ambtelijk apparaat, door het gezamenlijk aan te sturen.. Waar ze die stellige staatsrechtelijke overtuigingen vandaan halen weet ik niet. Het vindt geen grond in de grondwetsgeschiedenis, de juris- of legisprudentie of de literatuur. Het is nieuw staatsrecht van senatoriale makelij, zo lijkt het.

Ten tweede: de letterknechterij van de senaat op de tekst van artikel 44 Grondwet slaat ook tekstueel de plank  mis. Het lidwoord ‘een’ in de zin ‘Zij staan onder leiding van een minister’ is geen numerieke of getalsaanduiding, maar een soort- of genusaanduiding. Je moet het lezen in de context van artikel 46 dat over de staatssecretarissen gaat, en artikel 48 Grondwet over de minister-president. Met ‘een minister’ wordt verwezen naar het soort ambt dat hier wordt bedoeld: minister (en niet een staatssecretaris). Zo wordt, om het een beetje dichter bij de Eerste Kamer te brengen, in artikel 57, tweede lid, van de Grondwet dat luidt dat:

2. Een lid van de Staten-Generaal kan niet tevens zijn minister, staatssecretaris, lid van de Raad van State, lid van de Algemene Rekenkamer (…).

niet bedoeld dat van al die 225 leden van de Staten-Generaal er maar één niet die functies kan verenigen. Ook hier wordt de ‘soort’ lid van de Staten-Generaal bedoeld.

Ik begrijp dat de Eerste Kamer om zich op wil werpen als hoeder van de Grondwet, en ik snap ook dat ze een beetje stoom af willen blazen omdat ze er zo bij hangen bij de kabinetsformatie, maar dit….dit moesten ze maar niet meer doen. Dit  helpt niet.

Posted in Algemeen, Politiek, Uncategorized | Tagged , , , , | Leave a comment