Opname geheime gesprekken over Haagse waarnemend burgemeester gelekt? Hoe ver gaat de geheimhoudingsplicht gemeenteraadsledeni

De Haagse fractievoorzitters op het provinciehuis. | Foto: Omroep WestOmroep West maakt zojuist bekend dat vertrouwelijke gesprekken over wie de waarnemend burgemeester voor Den Haag zou moeten worden zijn gelekt. De omroep heeft geluidsopnames toegespeeld gekregen van het overleg tussen de Zuid-Hollandse commissaris van de Koning, Jaap Smit, en de Haagse fractievoorzitters. In het gesprek probeert commissaris Smit de aanwezige fractieleiders in dringende en ronde bewoordingen te bewegen vertrouwelijk met de informatie om te gaan (‘Als ik de naam ga noemen ga ik ervan uit dat jullie de kaken op elkaar houden’) en neemt hij ook verder geen blad voor de mond (over de waarnemer zegt Smit: ‘Het moet niet de eerste de beste zijn’ en over de Haagse raad oordeelt hij: ‘de raadsvergadering is geen gezicht’). https://www.omroepwest.nl/nieuws/3950987/Opname-geheime-gesprekken-gelekt-over-Haagse-waarnemend-burgemeester

Het lek is opvallend, oordeelt het artikel van Omroep West van 9 oktober 2019, omdat juist in Den Haag het thema integriteit zo hoog op de politieke agenda staat.

Is het wel een lek?

Zorgelijk allemaal, maar is het ook erg? Want de vraag die rijst is of er wel sprake is van een echt ‘lek’. Wil er sprake zijn van een schending van het ‘ambtsgeheim’, zoals het Wetboek van Strafrecht dat noemt (artikel 272), dan moet de vergadering waaruit wordt gelekt wel als een besloten, vertrouwelijke vergadering bestempeld zijn. In het stelsel van de Gemeentewet zijn vergaderingen openbaar, tenzij de raad zelf vindt dat de deuren moeten worden gesloten. Een vijfde van de aanwezige leden of de (loco)burgemeester kunnen daar om vragen en de gemeenteraad beslist vervolgens bij meerderheid of het ook een besloten vergadering wordt. Als dat zo is dan geldt inderdaad ‘kaken op elkaar’. Tenminste als de raad ook beslist geheimhouding op te leggen over wat in een besloten vergadering is verhandeld (en de raad kan ook geheimhouding opleggen over andere stukken). Het werk van een vertrouwenscommissie uit de gemeenteraad, die sollicatiegesprekken met kandidaten voor het burgemeesterschap voert, is altijd vertrouwelijk.

Van dat laatste is hier geen sprake want voor het aanstellen van een waarnemend burgemeester, is alleen de commissaris van de Koning aan de bal. Als hij het nodig oordeelt, zo zegt de Gemeentewet (art. 78) dan kan hij in een waarnemend burgemeester voorzien zolang de zoektocht naar een nieuwe burgemeester loopt. Van die situatie is hier sprake, waarschijnlijk omdat Smit een breekijzer op de problemen in de Haagse gemeenteraad wil zetten en ook omdat hij inschat dat de zoektocht naar een nieuwe burgemeester wel eens lang kan gaan duren. De wet zegt dat de commissaris over zo’n voornemen een waarnemer aan te stellen de gemeeteraad hoort. De wet zegt niets over de beslotenheid, vetrouwelijkheid of gebeimhouding van zo’n hoorsessie. Logisch: het is nauwelijks denkbaar dat door het delen van die informatie de besluitvorming in de raad of college  wordt verstoord, of een van de kandidaten wordt beschadigd. Het gaat om één persoon en het is het voornemen van de commissaris en van hem alleen. Hij hoeft niet eens de raad te horen (al hij bijvoorbeeld meent dat gewichtige reden zich daartegen verzetten).

Dus is het wel een lek? Dat commissaris Smit er in de opnamen kennelijk van uit gaat dat de aanwezigen moeten zwijgen over wat ze horen, is duidelijk. Maar of hij nu wel of niet vindt dat de informatie niet naar buiten mag, doet er in dit geval weinig toe. Hij heeft niet de macht dat stilzwijgen van de raad af te dwingen. Dat kan alleen de raad zelf of in enkele gevallen ook de burgemeester of het college, maar geen buitengemeentelijk orgaan zoals een commissaris. Hoffelijk is het misschien allemaal niet, maar dat waren de verhoudingen toch al even niet meer in de Haagse raad.

Mochten de fractieleiders daar bijeen met de commissaris wel hebben afgesproken dat het horen daar als een besloten zitting gold, dan zijn de gevolgen voor degenen die lekten niet mals. Lekken is een misdrijf waarop maximaal een jaar gevangenisstraf staat of een douw van € 20.750.

Posted in Politiek | Tagged , , , , , , , | Leave a comment

Brexit beter af met grondwet?

De Britten hebben – zoals ze het zelf noemen – een ongeschreven grondwet. Nou is er weinig ongeschreven aan die constitutie – bijna alle basisregels van hun staatsbestel zijn wel ergens op schrift gesteld in een wet, rechterlijke uitspraak, reglement of parlementair precedent – maar die regels zijn niet, zoals bij ons, vervat in één overzichtelijk document dat ook door één (grondwetgevende) instantie is vastgesteld. Die Britse constitutie is een allegaartje van regels, snippers, plukjes tradities, wetten en oude gebruiken. Een Harry Potter-kasteel met krochten, nissen en krakende deuren – een eeuwenoud toverpaleis. Mooi natuurlijk, maar ook heel onhandig – iedereen raakt in zo’n gebouw snel de weg kwijt.

Zo was het niet makkelijk uit het staatsrechtelijke spelregelboek te halen of premier Johnson bevoegd was de zitting van het Lagerhuis te schorsen (prorogration), om zo even af te zijn van die luizen in de pels die de Brexit frustreren. Ook was onduidelijk of hij dat op deze manier mocht doen. Om te beginnen: eigenlijk is de schorsing van de zitting van het Lagerhuis een doodnormale zaak. Ook wij kennen in Nederland recesperioden net als in het Engeland. Het grote verschil is dat bijeenroeping en schorsing van het parlement nog – een beetje Middeleeuws – in het Veneigd Koninkrijk een zaak voor de Koning is: die roept de Commons bij elkaar en doet ze uiteengaan alsof het een of ander adviesraadje is. Het schorsingsrecht is een ‘Royal Prerogative’ waarover de Koning(in) wel kan overleggen met de Privy Council (een soort hoge koninklijke raad van advies – een curia regis – met ministers van staat, wat hoge adel en adviseurs uit landen van het Gemenebest die hoogstzelden bijeenkomt) maar eigenlijk volgt ze toch altijd gewoon zonder nader overleg de voordracht van de premier. Er zijn een paar wetten waaraan de premier en het staatshoofd zich moeten houden (Prorogation Act 1867, – indirect Meeting of Parliament Act 1797, Fixed Term Parliaments Act 2011 e.a.) en een aantal precedenten beginnend met de gaffe van Karel I die in 1628 net als Boris Johnson probeerde een aangenomen wet (the Petition of Right Act) probeerde te omzeilen door de zitting van het parlement te schorsen. Dat liep niet goed af: het leidde uiteindelijk tot de eerste en enige burgeroorlog die de Britten ooit kenden en kostte Karel II – die in 1679 het parlement te schorste om te voorkomen dat de Exclusion Bill werd aangenomen – zelfs zijn troon. Van de 6 keer dat de schorsingsbevoegdheid tot nu toe werd gebruikt om een crisissituatie op te lossen liep er eigenlijk maar een enkele goed af. Er rust weinig zegen op de strijdbijl van parlementaire schorsing. Het is ook een hele botte bijl en de regels over gebruik zijn onduidelijk. Mocht Johnson het nu doen? Zette hij de Koningin: a. voor schut, b. voor het blok, c. voor zijn karretje, d. in een hoekje, e. in de kou, f. voor een voldongen feit? (omcirkel het juist antwoord – oplossing: alle antwoorden zijn goed).

De zaak over die schorsing is nu al voorgelegd aan drie rechters. Was die opschorting van de parlementaire sessie tot 14 oktober rechtmatig – mag je het Lagerhuis zo proberen te muilkorven? Op 5 september sprak het High Court in Londen uit[1] dat zo’n schorsingsbeslissing een politieke beslissing is, eentje waarover een rechter zich eigenlijk niet uit kan spreken: er zijn geen juridische standaarden om de rechtmatigheid ervan te toetsen – volgens het High Court.[2] Op 11 september dacht het Schotse Court of Sessions daar anders over.[3] Al achtte dat hof het schorsingsbesluit zelf niet onrechtmatig, het advies van Johnson aan de majesteit is dat wel omdat hij de bevoegdheid kennelijk misbruikt om het Lagerhuis te belemmeren zijn werk te doen. En in zulke gevallen mag volgens het Schotse Hof – dat vrijdag de 13de (goed gekozen datum) zijn volledige uitspraak doet – zo’n beslissing wel degelijk juridisch toetsen. Ook aan wezenlijke democratische en rechtsstatelijke beginselen. Onduidelijkheid troef dus. Niet onrechtmatig volgens de Londense rechter, wel volgens het hof in Schotland. Dat kon er nog wel bij na drie jaar gezwalk en onduidelijkheid over de Brexit. Deze week zal het Supreme Court (de Britse Hoge Raad) proberen een finaal oordeel te geven over de rechtmatigheid van die schorsing van het Lagerhuis (https://nos.nl/artikel/2302150-hooggerechtshof-in-londen-buigt-zich-over-schorsing-parlement.html) – een beslissing die er al gedeeltelijk niet meer toe doet trouwens, want het Lagerhuis slaagde er al voor het reces in een wet met een verbod op een No-deal-brexit-zonder-meer aan te nemen. De uitspraak van dinsdag kan wel de chaos nog vergroten..

Kijk, dat komt er nou van, zei Lagerhuislid Caroline Lucas afgelopen week (dinsdag 3 september 2019), als je geen geschreven grondwet hebt.

(…) The reason that we are in this crisis (…) it’s because we don’t have a written constitution. It is only the unwritten uncodified  understandings that protect the body politic from regressing to government with only minimal checks, balances and minimal accountability. Up until now we have had to depend on people playing by the rules. Well, now we have a government that is not playing by the rules, so we need more than ever a written constitution drawn up by a democratic citizen’s convention, that will put the people at the heart of our politics for the first time in UK history (…)’

Het VK zou er volgens haar ook een moeten krijgen. Ze kreeg betrekkelijk veel bijval, voor Britse begrippen dan. Eerder initiatieven om de Britse constitutionele regels te codificeren in één grondwettelijk document, zoals dat van Minister van Binnenlandse Zaken Jack Straw in 2008, werden weggehoond. ‘Een geschreven grondwet in het VK? Barbaars, primitief, meer iets voor onbeschaafde wiebelstaatjes, naties in hun puberteit of bananenrepublieken.’ Zo denken toch nog heel veel Britten erover.

Nee, ik denk niet dat dat er van gaat komen – de Britten doen het al 800 jaar zonder, en het is ook een beetje naïef om te denken dat je de politieke patstelling die de Britten de afgelopen drie jaar in de greep houdt, op zou kunnen lossen door een nette verzamelband om de snippers en flarden van de Britse constitutie te slaan. En wat denk je: zullen die zo verdeelde Britten het wel snel eens worden over nieuwe spelregels als ze elkaar al de kop inslaan over wel of niet een paar weken parlementair reces. Grondwetten – de hele wereld heeft ze zowat tegenwoordig – gaan altijd over het zoeken naar een ‘wij’, een huis met regels voor politiek en samenleving, een verbeelde wereld waarin je je thuis kunt voelen – zoals ik in mijn net uitgekomen boek ‘Het verhaal van de grondwet; zoeken naar wij. Amsterdam: Prometheus 2019’ laat zien. En die Britten, die zijn op het ogenblik nog lang niet thuis: die zitten op het ogenblik midden in een zware storm op volle zee.

 

[1] R (Miller) and others v The Prime Minister [2019] EWHC 2381 (QB).

[2] Uit die Miller-uitspraak: ‘While recognising that actions of the Executive carried by out by way of the exercise of the prerogative are not inherently non-justiciable, the judgment also recalls the courts’ well-established refusal to review political decisions [§§43-50]. (…) The decision to prorogue Parliament and the advice accordingly given were inherently political in nature and there are no legal standards against which to judge their legitimacy [§51].’

[3] The Inner House of the Court of Session (Scotland), C-Joanna Cherry QC MP and others for Judicial Review

Posted in Algemeen, Boeken, Politiek | Tagged , , , , , , , , | Leave a comment

Bang voor de burger?

De tragiek van een liberale democratie is dat het veelal zittende, gevestigde partijen zijn die over de toekomst van het bestel beslissen. En dat kunnen ze natuurlijk niet doen in het voorbijgaan van hun eigen belangen. Denken over democratische vernieuwingen is daarbij altijd een rekensom: waar komen wij straks uit? Dat fenomeen is fraai terug te lezen in het recente kabinetsstandpunt over het advies van de Staatscommissie parlementair stelsel onder leiding van oud-minister Remkes, maar zelden gebeurde dat zo schaamteloos. De commissie-Remkes legde in december 2018 een kloek rapport (Lage drempels, hoge dijken) neer met een buitengewoon heldere analyse van de staat van de Nederlandse democratie: hoogwateralarm. In zijn algemeenheid staat het er goed bij met de democratie, maar alarmerend is wel dat een derde van het electoraat aan het afhaken is – velen voelen zich niet meer vertegenwoordigd, dat is een latente bedreiging voor onze democratie. Eentje die zich al doet gevoelen op allerlei fronten: traditionele partijen lopen leeg, het politieke landschap fragmenteert, de stabiliteit van het stelsel en de meerderheden die nodig zijn voor hervormingen, kalven af. Een signaal dat het SCP al u7NjtaijoMI3DAxxQ0Qb2OrG10sjaren afgeeft. De commissie-Remkes beveelt bij voorrang aan hier iets aan te doen, bijvoorbeeld door een correctief referendum in te voeren, iets te doen aan de verbestuurlijking (technocratisering van bestuur), de niet uit te leggen machtspositie van de Eerste Kamer wat terug te schroeven, dat soort dingen.

Maar dat is juist wat het kabinet niet doet. Alsof die analyse een soort nepnieuws is, winkelt het in de wat kleinere aanbevelingen en verzint er zelf nog wat nieuwe bij. Wie door het kabinetsstandpunt bladert, kan maar heel moeilijk gevoelens van verontwaardiging onderdrukken. Waar de commissie-Remkes de posities en vertegenwoordiging van (afgehaakte) kiezers wil versterken, wijst het kabinet die burger doodleuk aan als een soort gevaar zettende bedreiging die moet worden (her)opgevoed. Er moet vooral een wet op de politieke partijen komen met heel veel regels die de niet-middenpartijen (lees vooral: de PVV) gaan treffen. Kleingeestig, want het is heel aardig gelukt deze nieuwkomer, die al lang over zijn hoogtepunt heen is, binnen het stelsel te houden. Verder moeten al die onterecht ontevreden en ondankbare kiezers die wegliepen bij de grote middenpartijen, heropgevoed worden door burgerschapsonderwijs, en bijgepraat worden over de plannen van het bestuur in vormen van participatie zonder zeggenschap. Er komen burgerschapsfora, meer internetconsultatie en – ik vergeet het bijna – als klap op de vuurpijl: het aanscherpen van de Aanwijzingen inzake externe contacten van rijksambtenaren (‘Oekaze-Kok’). Die doorbraak die we indertijd voor elkaar hebben weten te krijgen door in een interne rijksmaatregel met elkaar af te spreken dat er af en toe, als we daar aan toekomen, het niet te veel is gevraagd, het geen weekend is, er geen Kamervragen hoeven te worden beantwoord en zolang het maar niet uitmondt in een Wob-verzoek, rijksambtenaren best wel een keer antwoord willen geven op vragen van burgers.

Je gelooft niet wat je leest als je het kabinetsstandpunt doorbladert. Oost-indisch doof voor de analyse van Remkes, onhandig winkelend door diens rapport en daarbij een cocktail kiezend van maatregelen die nu juist het probleem van onze democratie groter gaan maken. Die moet inclusiever en die wordt juist exclusiever met de preoccupaties van het kabinet voor de ondermijnende, ondankbare burger die zo nodig heropgevoed moet worden. Dat gaat niet goed komen zo, want, zoals de Amsterdamse hoogleraar politicologie een paar jaar geleden al zei: ‘Niet de kiezer is gek.’ Die gaat hier – cosmetische operaties aan het kiesstelsel of niet – waarschijnlijk mee afrekenen.

(9 juli 2019 in de SC – voorheen Staatscourant)

Posted in Uncategorized | Leave a comment

Op de drempel van de toekomst

De introductieweken beginnen weer. Duizenden studenten die zich gereed maken voor een nieuw leven. Ook de studies rechtsgeleerdheid/rechtswetenschappen lopen weer vol. Ze zullen in ieder geval beter les krijgen dan in 1980 (zie: Begin), wellicht ervan langs krijgen (zie: Ontgroenen) of wat terugkrijgen. Wat er van ze gaat worden weten we niet (zie: Jurist van de toekomst ). Maar laat ze daar vooral, de op de drempel van de toekomst, nu nog niet over tobben. Daar is nog een heel leven de tijd voor.

Afbeeldingsresultaat voor introductieweken leiden

Posted in Algemeen, Persoonlijk | Tagged , , , | Leave a comment

Een vervelend kerstcadeau voor Pechtold: politici en het Geschenkenregister Tweede Kamer

‘Timeo Danaos [1]Beware of Greeks bearing gifts…[2]

Alexander Pechtold is in het nieuws op een manier die die niet leuk vindt. Gedoe. Website GeenStijl berichtte over een schenking ter waarde van ongeveer € 135.000  van een Schevenings appartement door oud-diplomaat Serge Marcoux. Had Pechtold dat nu wel of niet moeten melden in het Geschenkenregister van de Tweede Kamer?

De regels

Er zijn geen wettelijke regels over het aannemen van en registratie van geschenken door parlementariërs, eigenlijk alleen maar huisregels. Artikel 150a, derde lid, van het Reglement van Orde van de Tweede Kamer regelt in dit verband:

‘3. Ter griffie wordt een register bijgehouden waarin de leden de door hen ontvangen geschenken en voordelen met een hogere waarde dan 50 euro vermelden, uiterlijk één week na ontvangst van het geschenk of het voordeel.’

Het woordje voordelen is er pas onlangs aan toegevoegd naar aanleiding van een evaluatierapport van de GRECO-groep van de Raad van Europa[3] – een groep van Europese Staten die zich sterk maakt voor politieke integriteit en corruptiebestrijding. Al stelde die werkgroep in 2013 vast dat Nederland een net land is met integere politici, wel legde het de vinger op de kwetsbaarheid van ons systeem van registratie en transparantie van geschenken aan en voordelen voor parlementariërs. Zo valt het die GRECO-groep op dat er eigenlijk geen wettelijke regels zijn voor het aannemen van giften en voordelen, buiten dan de geschenkenregisters die de Kamers zelf hebben aangelegd. Óf Kamerleden wel alles netjes daarin opnemen, is hun eigen verantwoordelijkheid. Een handhavende instantie is er niet – je kunt er niet mee naar het Openbaar Ministerie of de rechter. Een Kamerlid dat giften of voordelen aanneemt en niet registreert, kun je weinig maken. De waakhond is de Kamer zelf, de Kamervoorzitter kan al helemaal niet politievrouw spelen. Een kwetsbare situatie volgens die GRECO-groep, zeker ook tegen de achtergrond van de registratiepraktijk die nogal te wensen overlaat.[4] De werkgroep van de Tweede Kamer die in 2014 met het GRECO-rapport aan de slag ging, deed niet al te veel met de Europese analyses en aanbevelingen. Een beetje zelfgenoegzaam werden toch vooral de complimenten van de GRECO-groep uitvergroot en werd een beetje sussend gedaan over de aanbevelingen. Ook ‘voordelen’ zouden voortaan in het geschenkenregister opgenomen moeten worden (en in het Kamerreglement opgenomen), bij omissies op het terrein van nevenactiviteiten zou de griffie mogen kattenbellen en er zouden praatgroepjes moeten komen om eens over de ervaringen door te praten. Een beetje het verhaal van de plas en alles laten zoals het was. En dat terwijl de praktijk van het geschenkenregister toch wel heel wat vragen oproept.

Privé of niet privé?

Ten eerste de vraag waarmee Pechtold op het ogenblik aan het hannesen is. Moeten privé geschenken nu wel of niet worden geregistreerd? De D66 fractieleider is heel stellig in zijn verweer: ‘dat hoeft niet.’ Tja dat zal dan wel, als Pechtold dat zegt, maar het Kamerreglement maakt helemaal geen onderscheid tussen giften en voordelen die je hebt gekregen als privépersoon of als functionaris. Eigenlijk maar goed ook, want waar houdt de privépersoon op en waar begint de politicus? Wereldwijd proberen politici of topbestuurders, van, toegegeven, een heel wat bedenkelijker kaliber dan Pechtold in vermeende fraude of corruptiezaken zich te verstoppen achter hun eigen privépersoon, hun privéleven. Ze hebben nu eenmaal veel goede vrienden. Hoe groezelig en verwarrend privé en publiek door elkaar kunnen lopen bewijzen de laatste presidentsverkiezingen in de VS wel. Dat zijn geen klare lijnen.

Met privé of niet privé zijn we er niet. Het gaat om het doel van dat register. Om te kunnen vertrouwen op politici, maar belangrijker nog op ons democratisch politieke systeem, willen burgers tegenwoordig weten wat er speelt, wat er om gaat. Een werkelijk informatief Geschenken- en voordelenregisters stelt burgers in staat om bij de overheid binnen te kijken, te weten wat er gebeurt. We willen weten met wie de onderhandelaars tijdens de kabinetsformatie praten, we willen weten welke belangenorganisaties belet krijgen bij ministers en ambtenaren. De positie van een Kamerlid of Minister die zegt: ‘Ik maak zelf wel uit met wie ik praat,’ is in 2017 zelfs in polderland Nederland niet houdbaar. Om vertrouwen te kunnen hebben en houden in ons politieke systeem, om dat systeem legitiem te laten functioneren, moeten we mee kunnen kijken, moet dat systeem transparant zijn. Als Pechtold terechte vragen stelt over kostenposten van het Koningshuis, waarvan je in de wandeling zou kunnen zeggen dat ze privékwesties betreffen, dan heeft hij daarin gelijk. En als is hij, Pechtold, natuurlijk niet op dezelfde voet publiek persoon als de Koning, zijn goed ontwikkelde politieke antenne zou hem hebben moeten vertellen dat zo’n grote gift van een oud-diplomaat toch wel veel vragen op zou kunnen roepen, zelfs al was het dan een geschenk van een oude vriend. Onhandig op zijn minst, ook in een situatie waarin er geen scheidsrechter is.

De vreemde praktijk van het Geschenkenregister

Wat Pechtold zeker niet heeft geholpen bij zijn afweging om wel of niet de gift te registreren, is de praktijk van de registratie zelf. Het Geschenkenregister van de Tweede Kamer wordt (ongeveer) sinds 2006 bijgehouden. Het was al weer even geleden dat ik ernaar keek, maar er is niet veel veranderd. Weliswaar zijn er veel meer meldingen (om en nabij de 1350), maar die meldingen zijn nauwelijks informatief. Het register en de registraties geven eerder aanleiding tot lacherigheid dan dat ze een serieuze informatiebron voor kritische burgers zijn.

Een paar waarnemingen per december 2017 dan maar: mijn kerstcadeau voor de Kamer.

  • Veel flauwekulregistraties  Het register staat vol met flauwekulmeldingen over giften (wijnflessen, boeken en boekjes, en andere prullaria) met een geregistreerde waarde van (meestal ver) onder de  € 50,- : de registratiedrempel. Onder dat bedrag hoef je niet te registreren. En ze doen het toch. Waarom doen Kamerleden dat? Hardlopend Kamerlid Remco Dijkstra van de VVD maakt het het bontst. Hij laat registreren dat hij op 5 oktober 2013 een geschenkabonnement voor de slijter ter waarde van  € 5,-  heeft ontvangen bij de sponsorloop Kika in Zoelmond en….die bon heeft weggegeven. Dijkstra is sowieso nationaal geschenkenregistratiekampioen: in zijn eentje is hij goed voor 148 registraties. Zo’n kleine 12% van het totaal. En bijna al zijn registraties vallen ruim onder de drempelwaarde. Dat dient natuurlijk geen enkel doel. Het vervuilt alleen de registratie maar (sowieso moeilijk te doorzoeken omdat die in plat Pdf-formaat wordt geleverd). Of is het een stil protest tegen het registratiesysteem – obstructie – telkens weer als hij zijn jas- en broekzakken vol met houtjes en touwtjes omkeert aan het bureau van de griffie?
  • Kleine waarde Van de meeste van de giften en voordelen is de waarde onbekend, heel veel wordt ook weer weggeschonken. Er komt echter weinig met aanzienlijke waarde voorbij. In de gauwigheid telde ik 52 giften met een geldwaarde hoger dan € 100,-. Ca. 4 % van het totaal van de giften. Het boekenpakket dat een aantal Kamerleden (9 stuks) heeft gekregen van uitgeverij Boom in Amsterdam op 30 september 2008 (waaronder de stichtende vertaling van Montesquieu’s Geest der wetten) met een totaalwaarde van € 106,90 tikt daartussen flink door. Ook zijn een flink aantal van de giften met een waarde van meer dan € 100,- vergoedingen voor gehouden lezingen. Vooral in Christelijke SGP/CU-kringen is het kennelijk de gewoonte dat daar contant voor wordt betaald – meestal zo rond of boven de € 100,- (10x). Giften van meer dan 200 euro zijn uiterst zeldzaam: ik vond er maar 7. Drie daarvan zijn weer (Christelijke) lezingen, eigenlijk springen maar 3 wat grotere giften er echt uit. Op 10 oktober 2016 won Gert-Jan Segers (CU) de Grote Bijbelquiz en ontving daarvoor een weekendje weg-bon van € 500,-. Klaas Dijkhoff (VVD) werd op 16 november 2017 gekozen tot Best Geklede Man van het jaar 2017 en won een shoptegoed bij de Bijenkorf t.w.v. € 1.000,- (een serieus bedrag, maar voor een sharp-dresser natuurlijk ook weer niet zoveel). De grootste gift – € 2.011,11 – kreeg Albert van den Bosch (ook VVD)  bij zijn afscheid als burgemeester van Zaltbommel. Eigenlijk geen gift maar een donatie. Zo’n bedrag aan opgehaald geld, gedrukt op een grote kartonnen cheque, die Van den Bosch onmiddellijk doorgaf aan het Dierenasiel Bommelerwaard in Bruchem – waar dat bedrag de hele tijd al voor bedoeld was. Niet om het een of ander, maar de hoogte van de bedragen gemoeid met de giften laat ook zien dat de geregistreerde meldingen over weinig substantiële zaken gaan. Met een schenking van € 135.000,- zou Pechtold er wel enorm zijn uitgesprongen.
  • Gefuifd of mee op pad genomen?  Naast een eindeloze reeks van (niet registratieplichtige) boekjes (eentje ter waarde van € 4,75 ‘Waarom vuilnismannen meer verdienen dan bankiers’), wijnflessen, pennen, bekers en goedkope cognac, komen er ook relatief veel geschonken toegangskaartjes voor sportwedstrijden, concerten en theatervoorstellingen voor. Wel goed dat die geregistreerd worden want met de organisaties die die evenementen organiseren kan je als politicus natuurlijk wel te maken krijgen. Anne Mulder’s (VVD) liefde voor sport, met name voetbal en dan weer met name voor voetbalclub ADO is op het aandoenlijke af. Een keer of 7 werd hij er voor een thuiswedstrijd uitgenodigd. Vooral voor Nederlandse en Europese kampioenschappen, voor voetbal en hockey, maar ook voor de Tefaf krijgen Kamerleden uitnodigingen. Maar kennelijk niet iedereen registreert die op dezelfde manier.
  • Gatenkaas en verouderd  52 Kamerleden krijgen nooit iets, kennelijk. Bij hen is het vakje giften en voordelen leeg. Die lege-handen-Kamerleden tref je aan verdeeld over alle fracties en partijen. Dat een derde van de Kamerleden niks te melden heeft, is wel een beetje vreemd omdat er soms cadeaupakketten bij de hele Kamer worden afgeleverd (zoals dat eerdergenoemde boekenpakket van uitgeverij Boom, alweer uit 2008) die door het ene Kamerlid wel en door het andere Kamerlid weer niet worden geregistreerd. Nu moeten we geen spijkers op laag water willen zoeken, maar aan een onvolledig en grotendeels verouderd register heeft niemand iets. Want het mag zo zijn dat Alexander Pechtold keurig 52 keer melding heeft gemaakt van geschenken – het telt voor niks als nu juist die ene grote, waarover je ook nog wel wat vragen zou kunnen hebben (vragen die de D66 fractieleider ongetwijfeld zal kunnen beantwoorden), er niet tussen staat.

Transparantie

De praktijk van de registratie is dus nog lang niet op orde en een incident als die gift aan Pechtold werpt onmiddellijk een smet op die hele registratie. Het krijgt de bijsmaak van een institutioneel rookgordijn. En wat al zeker niet helpt, is als bij dit soort incidenten de psychologische kaart wordt getrokken (Pechtold is toch een betrouwbaar mens), dat het als kleinigheid van de prioriteitenladder wordt geschopt (‘zijn er nou echt geen belangrijker zaken?’) of dat er bewust wordt verhaspeld. Kamerleden hebben toch een zuiveringseed gezworen waarin ze beloven dat ze geen giften hebben aangenomen om iets wel of niet te doen in het ambt?[5] Dat gaat over iets anders, en dat heeft slechts een indirecte relatie tot het Geschenkenregister.

Het incident Pechtold laat zien dat er op het terrein van transparantie nog een wereld te winnen valt in Nederland. Dat is altijd taaie materie want overleggen in ons polderland vergt nu eenmaal altijd een beetje geborgenheid en vertrouwelijkheid. Af en toe moeten bij ons wel eens katjes in het donker van de achterkamertjes worden geknepen. Dat begrijpt iedereen. Maar daarom dringt het in Nederland juist zo, dat wat we wel echt moeten weten wie onze onderhandelaars zijn. Onze vertrouwelingen die we met ons mandaat achter gesloten deuren laten onderhandelen. Misschien willen of moeten we daarom zelfs ook  dingen weten die gedeeltelijk privé zijn. Als we al zouden weten waar die privésfeer begint. Want het mag nooit zo worden dat die overheid en politici wel bijna alles van ons weten, maar wij nog nauwelijks over hen.

NOTEN

[1] Deel van het citaat ‘Timeo Danaos et dona ferentes’ uit Vergilius’ Aeneis (zang II, vers 49). Het betekent “Ik ben bang voor Danaërs (= ‘Grieken’), ook als zij geschenken aanbieden”. Vergilius legt deze woorden in de mond van de Trojaanse hogepriester Laocoön die een angstig voorgevoel krijgt bij het zien van het houten gevaarte dat de Grieken bij hun vertrek achterlaten op het strand (Het paard van Troje).

[2] Het gevleugelde Engelse gezegde is een niet helemaal correcte vertaling van Vergilius’ vers (kent wel dezelfde stam), maar drukt misschien juist daardoor nog wel een krachtiger boodschap uit.

[3] Group of States Against Corruption (GRECO), Fourth Evaluation Round, Corruption prevention in respect of members of parliament, judges and prosecutors. Evaluation Report Netherlands adopted by GRECO at its 60th Plenary Meeting, Strasbourg, 17-21 June 2013. Council of Europe, Strasbourg 2013.

[4] In de bewoordingen van de GRECO-groep: ‘given the imperfect compliance with the declaration requirements’.

[5] De eed op basis van artikel 60 Grondwet: “Ik zweer (verklaar) dat ik, om tot minister/staatssecretaris/lid van de Staten-Generaal te worden benoemd, rechtstreeks noch middellijk, onder welke naam of welk voorwendsel ook, enige gift of gunst heb gegeven of beloofd. Ik zweer (verklaar en beloof) dat ik, om iets in dit ambt te doen of te laten, rechtstreeks noch middellijk enig geschenk of enige belofte heb aangenomen of zal aannemen.”

Posted in Algemeen, Politiek | Tagged , , , , , , , , , , | 8 Comments

Duominister: Van Dale woord van het jaar?

Wat een gekke brief van de Voorzitter van de Eerste Kamer aan premier Rutte, die brief van 24 oktober 2017 over de kabinetsformatie. De senaat vraagt zich hoe het toch eigenlijk kan dat, zoals de bedoeling is, drie ministeries ieder twee ministers aan het hoofd gaan krijgen (eigenlijk zelfs vier).

Staatsrechtelijk is van belang, zo weet de senaat in de brief, dat duidelijk is welke van de twee ministers in zo’n geval belast is met de leiding van het ministerie. Want artikel 44 van de Grondwet luidt toch immers:

Bij koninklijk besluit worden ministeries ingesteld. Zij staan onder leiding van een minister.

De tekst – ‘een minister’ – sluit feitelijk uit dat twee minister tegelijkertijd met de leiding van een hetzelfde ministerie worden belast, volgens de senaat. Wat gebeurt strijdt dus met de Grondwet.

??

Echt niet. Dit is een staaltje staatsrecht maken waar je bij staat.

Ten eerste staat staatsrechtelijk al decennia vast dat de regering, in goed overleg met het parlement, bepaalt welke ministeries er zullen zijn, hoe die worden ingericht en welke ministerposten en staatssecretariaten daarbij gaan horen. De Grondwet laat daar terecht zoveel mogelijk ruimte voor. Het tweede lid van artikel 44 Grondwet, dat het mogelijk maakt om ministers aan te stellen die niet zijn belast met de leiding van een ministerie, moet ook in die zin worden gezien. Het is een ruimte scheppende bepaling. Ook dat soort ministers mag worden benoemd. Je mag dat niet andersom lezen (zoals de senaat doet): hooguit één minister per ministerie en anders een ‘tweede lid minister’-zonder portefeuille. Dat zou het de facto onmogelijk maken om twee ministers gebruik te laten maken van (onderdelen van) één ambtelijk apparaat, door het gezamenlijk aan te sturen.. Waar ze die stellige staatsrechtelijke overtuigingen vandaan halen weet ik niet. Het vindt geen grond in de grondwetsgeschiedenis, de juris- of legisprudentie of de literatuur. Het is nieuw staatsrecht van senatoriale makelij, zo lijkt het.

Ten tweede: de letterknechterij van de senaat op de tekst van artikel 44 Grondwet slaat ook tekstueel de plank  mis. Het lidwoord ‘een’ in de zin ‘Zij staan onder leiding van een minister’ is geen numerieke of getalsaanduiding, maar een soort- of genusaanduiding. Je moet het lezen in de context van artikel 46 dat over de staatssecretarissen gaat, en artikel 48 Grondwet over de minister-president. Met ‘een minister’ wordt verwezen naar het soort ambt dat hier wordt bedoeld: minister (en niet een staatssecretaris). Zo wordt, om het een beetje dichter bij de Eerste Kamer te brengen, in artikel 57, tweede lid, van de Grondwet dat luidt dat:

2. Een lid van de Staten-Generaal kan niet tevens zijn minister, staatssecretaris, lid van de Raad van State, lid van de Algemene Rekenkamer (…).

niet bedoeld dat van al die 225 leden van de Staten-Generaal er maar één niet die functies kan verenigen. Ook hier wordt de ‘soort’ lid van de Staten-Generaal bedoeld.

Ik begrijp dat de Eerste Kamer om zich op wil werpen als hoeder van de Grondwet, en ik snap ook dat ze een beetje stoom af willen blazen omdat ze er zo bij hangen bij de kabinetsformatie, maar dit….dit moesten ze maar niet meer doen. Dit  helpt niet.

Posted in Algemeen, Politiek, Uncategorized | Tagged , , , , | Leave a comment

Hoe groot is de kans dat Rutte III de eindstreep haalt?

Grote coalitiekabinetten die steunen op vier of meer partijen in de Tweede (en de Eerste Kamer) zijn kwetsbaar. Zou je zo zeggen. Veel verschillen van inzicht en richting, veel potentiële twistpunten. Met vier partijen van verschillende signatuur achter zich en een minimale meerderheid in de Tweede Kamer (en Eerste Kamer) wordt het kabinet Rutte III zo op het eerste gezicht onder een slecht gesternte geboren. Voor de kansen dat Rutte III de hele rit van vier jaar uit zit wordt dan ook weinig gegeven. Dat de formatie zo lang heeft geduurd (een record in de parlementaire geschiedenis) is zelfs uit te leggen als een veeg teken.

Maar liggen die kansen ook werkelijk zo slecht? Niemand heeft natuurlijk een kristallen bol, maar je zou eens kunnen kijken naar de langjarige gemiddelden. Hoe lang zaten vierpartijenkabinetten (ongeveer) de afgelopen honderd jaar (als we voor het gemak even rekenen vanaf de introductie van het algemeen kiesrecht in 1919) gemiddeld? Op basis van die cijfers is er wellicht iets te zeggen over de gemiddelde overlevingskansen van verschillende kabinetstypen uit de periode 1919-2017.

Gemiddelde overlevingskans

We berekenen de overlevingskans op een hele grofmazige wijze. Een kabinet heeft, in onze berekening, een 100% overlevingskans als het 4 x 365 = 1460 dagen of meer zit (4 jaar is de gemiddelde periode tussen 2 reguliere verkiezingen – soms gaat het zelfs om meer dagen). De dagen die een kabinet zit, zetten we af tegen deze 1460 dagen en beschouwen dat als ‘de overlevingskans’. Helemaal klopt dat niet natuurlijk want kabinetten komen om een veelheid van redenen aan hun eind, en soms is al vooraf afgesproken dat een kabinet maar even aanblijft. Die nuances maken vergelijken onmogelijk en dat is toch juist wat we willen doen. En natuurlijk, de vergelijking gaat ook mank doordat in de vergelijking kabinetten uit hele andere tijden zijn betrokken met hele andere politieke, sociale en culturele randvoorwaarden en achtergronden. Een vergelijking van appels en peren, en eigenlijk ook nog eens tussen koolrapen en schorseneren… maar toch. We beginnen onze telling vanaf de introductie vanaf het (gedeeltelijk) algemeen kiesrecht in 1917 toen het moderne kiesstelsel werd geïntroduceerd op basis van evenredige vertegenwoordiging. Het eerste kabinet kon nog niet bogen op vrouwenstem; die werd pas vanaf 1919 geïntroduceerd.

Dat brengt op de volgende totalen voor vierpartijenkabinetten:

Overlevingsduur vierpartijenkabinetten 1919-2017

naam periode soort Dagen/’Overleving’
De Jong 1967-1971 Meerderheidskabinet (4) 1553 dagen = 100% +
De Quay 1959-1963 Meerderheidskabinet (4) 1527 dagen = 100% +
Drees III 1956-1958 Meerderheidskabinet (4) 800 dagen = 54%
Drees II 1952-1956 Meerderheidskabinet (4) 1502 dagen = 100% +
Drees I 1951-1952 Meerderheidskabinet (4) 537 dagen = 36%
Drees-Van Schaik 1948-1951 Meerderheidskabinet (4) 950 dagen = 65%
Schermerhorn-Drees * 1945-1946 Meerderheidskabinet (4) 374 dagen = 25%
Colijn III (en II) 1933-1937 Meerderheidskabinet (4) 788 dagen = 53%
Colijn I 1925-1926 Meerderheidskabinet (4) 99 dagen = 0,6%
* Het kabinet Schermerhorn-Drees was een ‘noodkabinet’ dat net na de Tweede Wereldoorlog aantrad; er waren nog geen verkiezingen geweest – het werkte samen met een ‘noodparlement’.

Het gemiddelde en het vooruitzicht

Bij elkaar opgeteld zaten de negen vierpartijenkabinetten van na 1919, 8.130 dagen. We berekenen dat totaal op basis van het netto aantal dagen. Dat ligt soms boven de 1460 dagen van de vierjaarperiode, maar de berekening is zo wel het meest zuiver. Gemiddeld regeerden vierpartijenkabinetten vanaf 1919 dus 903,3 dagen. Daarmee komt de overlevingskans op een gemiddelde van 62%. En dat is lang niet gek. In de gehele periode tussen 1919 en 2017 ligt de overlevingskans van alle vormen van kabinetten zo rond de 63%. Cijfermatig bezien is er dus geen reden om aan te nemen dat de coalitie van Rutte III als vierpartijen kabinet wankeler is dan drie- of tweepartijenkabinetten van na 1919. Wel maakt de mini-meerderheid van 76 zetels het kabinet Rutte III  ‘kwetsbaar als porselein’ (De Volkskrant 10 oktober 2017)

Als het aanstaande kabinet op 26 oktober beëdigd wordt (verwachten we) dan zal Rutte waarschijnlijk, na een marathondebat, op donderdag 16 april 2020, zo rond een uur of elf ‘s avonds, aankondigen dat het kabinet zijn ontslag aanbiedt aan de koning. Dat op basis van meerjarige gemiddelden-verwachting. Zeker weten doen we dat natuurlijk niet: we kunnen er natuurlijk zomaar een paar dagen naast zitten.

 

Posted in Algemeen, Politiek, Uncategorized | Tagged , , , , , , , , , | Leave a comment